Mishandeling van kinderen in Nederland Waar niet te checken

Empty Classroom --- Image by © Sharie Kennedy/LWA/Corbis © Sharie Kennedy/LWA/Corbis

De aanleiding

Het tv-programma De vijfde dag van de EO maakte vorige week een thema-uitzending over ontsporende ouders en kinderen die in de knel komen. Een onderdeel was gewijd aan kindermishandeling. Om de omvang van het probleem te schetsen, zei Tweede Kamerlid Brigitte van der Burg (VVD) dat er in Nederland per klas één kind wordt mishandeld. En dat er iedere week in Nederland een kind sterft door kindermishandeling. Via Twitter vroeg Anne Kloek aan nrc.next of dit klopt.

Waar is het op gebaseerd?

Bij haar bewering over een kind per klas dat mishandeld zou worden, noemde Van der Burg geen bron. Dat er in Nederland iedere week een kind sterft door mishandeling zei Van der Burg te baseren op informatie van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Interpretaties

Wat verstaan we onder kindermishandeling? In veel onderzoeken wordt de definitie uit de Wet op de jeugdzorg gehanteerd: kindermishandeling is „elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel”.

Hier valt bijvoorbeeld ook ‘verwaarlozing van het onderwijs’ onder, zoals ‘het bewust toestaan van chronisch spijbelen’. Je zou dus kunnen stellen dat kindermishandeling hier breed wordt geïnterpreteerd. Met kinderen worden mensen tot en met 17 jaar bedoeld.

‘Per klas wordt er in Nederland één kind mishandeld.’

En, klopt het?

Alle onderzoeken naar kindermishandeling benadrukken dat het heel moeilijk is om de precieze omvang te bepalen. Want ondanks de wettelijke definitie blijft het vaak lastig aan te geven welk gedrag tot kindermishandeling kan worden gerekend. Bovendien worden lang niet alle gevallen gemeld.

Het meest veelomvattende onderzoek is De tweede nationale prevalentiestudie mishandeling van kinderen en jeugdigen uit 2010. Die bestond uit een steekproef onder 2.000 leerlingen, een enquête onder 1.100 onderwijsmedewerkers die met kinderen werken en de meldingen bij de vijftien Advies- en meldpunten kindermishandeling. Op basis van de meldingen en de informatie van de medewerkers kwam deze studie uit op 34 gevallen van kindermishandeling per 1.000 kinderen. Doorgaans vindt driekwart van de mishandeling plaats bij kinderen tot twaalf jaar. Vooral verwaarlozing bleek veel voor te komen, bijvoorbeeld emotionele verwaarlozing, waar ook het getuige zijn van huiselijk geweld onder valt.

Volgens deze cijfers komt kindermishandeling in Nederland iets minder voor dan in de VS. Daar zouden 39,5 op de 1.000 kinderen worden mishandeld.

In de steekproef onder leerlingen zelf viel het aantal veel hoger uit: 99 per 1.000 leerlingen gaven aan in 2010 te zijn mishandeld. Zelfrapportages over kindermishandeling laten altijd hogere aantallen zien dan onderzoek onder medewerkers. De onderzoekers doen geen uitspraak over welke methode de meest betrouwbare cijfers oplevert.

Omgerekend naar een gemiddelde basisschoolklas, die dit jaar 27 kinderen telt, zou volgens deze nationale studie inderdaad bijna één kind per klas worden mishandeld: 0,92 kind per klas van 27 leerlingen om precies te zijn. Uitgaande van de zelfrapportage onder scholieren zou het gaan om een gemiddelde van 2,67 mishandelde kinderen per klas met 27 leerlingen.

Conclusie

Tweede Kamerlid Brigitte van der Burg (VVD) wilde de omvang van het probleem van kindermishandeling in Nederland schetsen en koos daarbij voor de conservatieve schatting van één mishandeld kind per klas. Uit onderzoek blijkt dat het om minimaal 0,92 kind per klas gaat. Daarbij moet worden aangetekend dat er een brede – in de wet vastgelegde – definitie van kindermishandeling wordt gehanteerd, waar bijvoorbeeld ook ‘getuige zijn van huiselijk geweld’ onder valt. Het gaat hier om een schatting, maar wel op basis van een breed uitgevoerd onderzoek op grond waarvan volgens ons met recht dit soort schattingen kan worden gemaakt. Het verschil tussen de 0,92 kind uit het onderzoek en de één kind die Van der Burg noemt, beschouwen we als klein genoeg om haar bewering te beoordelen als waar.

‘In Nederland sterft één kind per week aan kindermishandeling’

En, klopt het?

Hoeveel kinderen er jaarlijks in Nederland sterven door kindermishandeling is onbekend. Dit komt doordat de ongeveer 1.600 kinderen (vooral baby’s) die jaarlijks in Nederland overlijden niet allemaal worden onderzocht door een gemeentelijk lijkschouwer. Ook huisartsen en kinderartsen mogen schouwen, maar zij zijn vaak onvoldoende opgeleid om alle sporen van mishandeling te herkennen. Hetzelfde geldt overigens voor veel gemeentelijke lijkschouwers. Op aandringen van de Tweede Kamer starten dit jaar trainingen om artsen en lijkschouwers beter sporen van mishandeling te laten vaststellen.

Als er nu een vermoeden van mishandeling is, dan gaat het kinderlichaam naar het Nederlands Forensisch Instituut. Het NFI stelt gemiddeld van 15 kinderen per jaar vast dat ze door mishandeling zijn gestorven en van nog eens twee dat mishandeling zeer waarschijnlijk de doodsoorzaak was.

Uitspraken over het totale aantal kinderen dat door mishandeling overlijdt, durft het NFI niet te doen. Behalve doordat niet alle overleden kinderen er worden geschouwd, komt dit doordat ook het NFI niet altijd uitsluitsel kan geven. Als een babylichaam bijvoorbeeld na dagen in een container wordt gevonden, is vaak niet meer te bepalen of sprake was van doodgeboorte, natuurlijke dood of mishandeling.

In een rapport over kindermishandeling van de Onderzoeksraad voor veiligheid staat dat uit Engels en Amerikaans onderzoek blijkt dat kinderdoding drie tot zeven keer zo vaak voorkomt als blijkt uit de officiële statistieken. „Voor Nederland is de officiële statistiek van 10 tot 15 gevallen per jaar vertaald naar 30 tot 70 kinderen tussen de 0 en de 18 jaar die overlijden aan de gevolgen van mishandeling in de huiselijke sfeer”, aldus het rapport uit 2011. Aangezien een jaar 52 weken telt en dat ongeveer het gemiddelde is van 30 en 70 kan dit rapport van de Onderzoeksraad voor veiligheid de bron van Van der Burgs uitspraak zijn.

Conclusie

In Nederland wordt van gemiddeld 15 kinderen per jaar vastgesteld dat ze door mishandeling zijn gestorven. Maar volgens de Onderzoeksraad voor veiligheid kunnen het er ook 30 zijn. Of 70. Door een gebrek aan lijkschouwingen door forensisch pathologen is het precieze aantal simpelweg niet bekend. En zelfs als het Nederlands Forensisch Instituut wel alle kinderlichamen zou schouwen, dan was de doodsoorzaak nog niet altijd vast te stellen. Om deze reden en omdat de mogelijke aantallen overleden kinderen door mishandeling zo ver uiteenlopen, beoordelen we de uitspraak dat „in Nederland één kind per week sterft aan kindermishandeling” als niet te checken.

    • Wilmer Heck