Kater

We keken voetbal zoals we vroeger voetbal keken. Vrienden op de bank, dicht op elkaar, in oranje shirts en met petjes en fluitjes en andere gekkigheid. Met elke minuut dat de klok dichter bij zes uur kwam, ging het volume van de televisie iets hoger. In de tuin werd saté gemaakt. Toen de wedstrijd bijna begon, liepen we allemaal nog snel naar de eettafel om drie stokjes, wat stokbrood en een lepel satésaus op een plastic bordje te scheppen.

„Zenuwen voel ik niet”, zei een vriend. „Dat komt in de finale wel weer.”

Fluitsignaal.

We sprongen op bij het afstandsschot van Willems, en de bal op de paal van Robben, en de mislukte aanname waarmee Van Persie een bijna zeker doelpunt om zeep hielp. Het lukte niet, maar goed, dat kwam dan in de tweede helft wel.

In de rust liepen we de tuin in en probeerden we een balletje hoog te houden, flesje bier in de hand. „Niets is nog verloren”, hoorde ik Tom Egbers zeggen toen de teams het veld weer op liepen. Dat hoefde hij ons niet te vertellen.

Er volgden meer kansen die niets opleverden. Ik keek naar het klokje rechtsboven in beeld en wist dat het snel zou gaan. Voor je het weet zit je in de laatste tien minuten – zo gaat dat altijd als je achterstaat.

We riepen om Huntelaar, en hoopten op een ingeving van Van der Vaart, en spraken schande van de niet bestrafte handsbal. We prezen de mooiste pass van het toernooi, die vertrok van de buitenkantvoet van Sneijder en niet het vervolg kreeg dat hij verdiende.

Nog een paar minuten. De kamer viel stiller.

„Het gaat niet meer gebeuren”, zei de commentator. Petjes gingen af, vrienden keken naar buiten. De plastic bordjes met satésaus werden opgeruimd en in de prullenbak gegooid. Iemand gooide gefrustreerd een volle hand bierdopjes over tafel.

Fluitsignaal.

’s Avonds zat ik in de trein terug naar huis. Op Amsterdam Centraal stapten mensen met oranje kleding de coupé binnen. De meesten hadden er inmiddels een jasje overheen getrokken. Twee vrouwen van middelbare leeftijd schreeuwden luid en dronken boven iedereen uit. Toen ze ook nog op een toeter begonnen te blazen, stond een jongen twee bankjes verderop op. Hij zei: „Hé, hou je bek eens!”

„Hou zelf je bek!” blèrde de vrouw terug.

Toen de trein het station binnenreed en ik naar het balkon liep, zat daar, op een opklapbaar stoeltje, een meisje over te geven.

Peter Zantingh is schrijver van het boek ‘Een uur en achttien minuten’, sportliefhebber en redacteur bij nrc.nl.