Extremistische moslims? Geef ze een podium

Hoe ga je het best met radicale moslims om? Gedwongen integratie lijkt minder succesvol dan aanvaarding van de diverse islamitische groepen.

Moslimextremisten, dat klinkt doodeng. Zeker als je eraan denkt wat ze kúnnen doen als ze kwaad willen. Het is stadsbesturen een lief ding waard om hen te identificeren en uit te schakelen voordat ze ergens een bom leggen.

Maar hoe doe je dat?

Politicoloog Floris Vermeulen en bijzonder hoogleraar radicaliseringsstudies Frank Bovenkerk (Universiteit van Amsterdam) keken hoe de stadsbesturen in Amsterdam, Parijs, Berlijn, Londen en Antwerpen dat aanpakken. Het resultaat van dat onderzoek, Engaging with Violent Islamic Extremism, presenteerden ze vanmiddag in Den Haag.

Moslimextremisten identificeren is ontzettend lastig, schrijven ze. Dat om te beginnen. Het gaat namelijk, en dat wordt nogal eens vergeten, om heel kleine aantallen. Maar een klein aantal, zelfs één persoon, kan grote schade aanrichten. Het is de moeite waard om ze te vinden.

Bijkomend probleem is dat potentiële terroristen niet opvallen. Je kunt ze er eigenlijk niet uit pikken als je kijkt naar etniciteit of kleding. Want dan worden opeens een hoop brave burgers ook verdachte. „Het meest opvallende kenmerk van de terrorist is zijn onopvallendheid”, citeren de onderzoekers de Amerikaanse extremisme-onderzoeker Martha Crenshaw. Ze schreef dat in 2001, maar het het is nog steeds de realiteit.

In alle onderzochte steden zagen de onderzoekers hetzelfde dilemma bij de bestuurders: richt je je beleid op integratie van de islamitische gemeenschap en hoop je dat dit een matigende invloed heeft op eventuele radicalen? Of accepteer je de moslimgemeenschap in al haar veelzijdigheid en geef je verschillende groepen allemaal een stem – ook de (streng) orthodoxe stromingen?

In elk van de vijf steden had een van die benaderingen de overhand. In Amsterdam, Londen en Berlijn is er vooral aandacht voor verschillen onder de moslims. Londen gaat daarin het verst, zegt onderzoeker Floris Vermeulen, ook mededirecteur van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (IMES). Londen heeft van de vijf onderzochte steden ook de meeste radicale moslims. Waarschijnlijk komt dat doordat deze bewoners oorspronkelijk uit meer gewelddadige landen komen.

Als in Londen een paar mannen hadden staan schreeuwen om invoering van de sharia (islamitische rechtspraak), zoals laatst op de Dam in Amsterdam, was er meteen een debatavond georganiseerd, denkt Vermeulen. „Het gaat om een heel klein groepje, in Nederland misschien maar één persoon. Het idee is: geef ze een platform. Geef ze een stem. Zet ze maar op een podium. Neem ze serieus. Hetgeen uiteraard niet betekent dat je het met ze eens hoeft te zijn.”

Een nadeel is dat je de hele gemeenschap kan stigmatiseren, zegt Vermeulen. „Maar de gematigden hebben ook een stem en op de langere termijn wordt duidelijk dat zij met veel meer zijn. Het is een pragmatische aanpak die ruimte laat voor de verschillen.”

Daarnaast is deze aanpak lastig in een tijd waarin multicultiprojecten onder vuur liggen. Vermeulen: „Specifiek beleid voor een bepaalde groep ligt gevoelig. Zeker als het om een religieuze groep gaat. Meteen wordt op de scheiding van kerk en staat gewezen.” Hij vindt dat terecht – en jammer. Veel moslims zijn bijvoorbeeld via de moskee te bereiken. Maar samenwerken met een moskee, laat staan subsidiëren, is niet acceptabel. „Je begeeft je als overheid ook in een grijs gebied. Want ben je dan verantwoordelijk voor wat de imam zegt?”

In Parijs en Antwerpen richt de aanpak zich vooral op de integratie van de hele gemeenschap. In Parijs werd bijvoorbeeld een moskee gebouwd met maar één ingang, voor mannen en vrouwen. Vermeulen: „Dan breng je de boodschap over: zo doen we dat hier. En dan maar hopen dat de moslims dat overnemen, en dat dit radicalisering tegengaat.”

Vermeulen en Bovenkerk concluderen voorzichtig dat de methode van Londen, Amsterdam en Berlijn het meest succesvol lijkt. „Je geeft extremisten een stem, maar daarmee kanaliseer je de radicale boodschap”, zegt Vermeulen. „Ze gaan minder snel ondergronds.”