Echte vrienden zijn we niet met China

Het gaat nog altijd niet goed met de mensenrechten in China. Maar tegelijkertijd is de armoede er fors gedaald. „Het gaat heel veel Chinezen heel veel beter dan twintig, dertig jaar geleden.”

Het is Rudolf Bekink (61), die vier jaar „onze man in Peking” was, nooit gelukt zijn favoriete rijm in het Chinees te gebruiken. Met de strofe „uit turf, nevel en achterdocht heeft God de Drent gewrocht”, had hij als ambassadeur in België veel succes, vooral tijdens de lange lunches met Vlaamse burgemeesters.

In Peking waren dit soort joviale bon mots onbruikbaar. Geen Chinees weet namelijk waar zijn geboorteprovincie Drenthe ligt – en er was een onoverbrugbare taalkloof.

„Ik geeft het onmiddellijk toe. Ik was meer Vlaming met de Vlamingen dan ik Chinees met de Chinezen ben geworden. Het nobele dilettantisme waarmee ik aan dit baantje in China ben begonnen, is eigenlijk nooit veranderd. Het was en is een fascinerende tijd, maar ik heb inderdaad niet het gevoel dat ik China heb leren kennen”, zegt hij tijdens een gesprek in zijn appartement in Peking.

Dat nobele dilettantisme tekent zijn houding. Relativerende, laconieke observaties en een forse dosis zelfspot horen daar bij.

Een opmerking als „mijn Chinees is zoals je weet non-existent”, als hij weer eens de naam van een Chinese stad of politicus verhaspelt, is daar een goed voorbeeld van. En dat geldt ook voor: „Misschien heb ik te weinig gereisd om China werkelijk te doorgronden.”

Culturele verschillen, de taalkloof voorop, hebben een grote en soms onoverkomelijke rol gespeeld tijdens dit ambassadeurschap. Waren de contacten in België op het broederlijke af, het Chinese politieke partijlabyrint zit ook voor ambassadeurs potdicht. Ook tijdens lunches, die in de provincie vaak willen uitlopen op een test wie de meeste maotai-likeur op kan. „Die wedstrijden won ik altijd, en met gemak. Een sterke maag is van belang in China.”

Een Nederlandse ambassadeur in Peking kan niet even een Chinese minister of viceminister bellen of e-mailen als er problemen zijn. President Hu Jintao heeft Bekink slechts eenmaal alleen gesproken.

Bekink ziet – hij maakt er geen geheim van – duidelijk uit naar zijn vertrek naar de VS, waar hij deze zomer ambassadeur wordt. Dat heeft ook met persoonlijke redenen te maken. Na het overlijden van zijn vrouw na een lange ziekte is hij inmiddels hertrouwd met een Canadese die al veertig jaar in de VS woont.

Hoeveel er ook geschreven wordt over het belang van China voor de Nederlandse economie (vooral Rotterdam en de export naar China en Duitsland), van een echte vriendschapsband is geen sprake. „We zijn geen buddy’s zoals met de VS. Dat heeft te maken met het cliché van de cultuurverschillen, maar ook met het politieke systeem en het streven van de Communistische Partij van China om ten koste van veel aan de macht te blijven.”

Het lastigste punt zijn de mensenrechten. Het was zijn oogmerk om ontmoetingen tussen Nederlandse ministers en hun Chinese collega’s zo in te kleden dat gesprekken niet in de eerste minuut vastliepen.

„Ik heb meegemaakt dat een Nederlandse bewindsman er voor Chinese begrippen te rechtstreeks inging. We stonden korte tijd later weer buiten. Wie dat soort dingen heel knap doet, is minister Verhagen. Hij wist als minister van Buitenlandse Zaken een Chinese vicepremier zover te krijgen dat die erkende dat er inderdaad nog veel moet veranderen in zijn land. Ik vond dat een bijzonder moment.”

Bekink wijst de kritiek af dat de Nederlandse regering ter wille van de groeiende economische belangen de mensenrechten naar het tweede plan heeft geschoven. „Wat wil je bereiken: dat het lot van de Chinezen wordt verbeterd of dat je als flinke jongen te boek staat in Nederland”, zegt hij op de vraag waarom Nederland muisstil bleef toen De Mensenrechtentulp van Nederland en een van de Prins Clausprijzen niet uitgereikt mochten worden aan de gevangen activiste Ni Yulan en de Tibetaanse dichteres Woeser.

Bekink legt uit: „We zoeken de grenzen wel op, maar moeten ook rekening houden met de Chinese reactie. We hadden in deze en andere gevallen megafoondiplomatie kunnen bedrijven, maar ik zie daar de zin niet van in. Als iets niet leidt tot wat je wilt doen, heeft het geen enkel nut het geweigerde bruidje te gaan spelen. Er gelden hier nou eenmaal andere opvattingen over mensenrechten.”

Feit is namelijk, benadrukt Bekink, dat China erin is geslaagd in betrekkelijk korte tijd vele honderden miljoenen mensen uit de armoede te trekken. „Het gaat heel veel Chinezen heel veel beter dan twintig, dertig jaar geleden.”

Ook als het gaat om de vrijheid van meningsuiting via de sociale media. „Als ik een Chinese leider zou zijn die zijn macht niet wil verliezen, zou ik mij nu grote zorgen maken over de groei van de sociale media. Die houden ze, ondanks alle pogingen die ze ondernemen, niet onder controle.”

Bekink kan zich goed vinden in de stelling van de Chinees-Nederlandse Peter Ho, die in Leiden Chinese economie doceert. „Het is een gegeven dat in China mensenrechten problematisch zijn, maar het is niet de enige kwestie waar Nederland zich op zou moeten richten”, schreef Ho onlangs in de Volkskrant over het eenzijdige karakter van het China-debat in Nederland.

Daarom bedrijft Nederland in China geen megafoondiplomatie en is het diplomatieke apparaat beschikbaar gesteld om het bedrijfsleven te helpen geld te verdienen. Het „l’ambassadeur ne parle pas fromage” – zoals minister van Buitenlandse Zaken Van Kleffens in de jaren 50 de rol van de ambassadeur omschreef – is allang geen leidraad meer. Geld verdienen is nu het motto.

Dat betekent niet dat Bekink echt kaas verkoopt, hard knokt voor bedrijven of meedoet aan gedetailleerde onderhandelingen. Hij ziet economische diplomatie als „deuren openen naar overheden, omdat in China economie politiek is”.

Meegaan naar bedrijfsopeningen, belangstelling tonen, „er zijn als vertegenwoordiger van de Nederlandse overheid”, dat was zijn werk. Dat gaat hem goed af. Alleen de koningin kan beter schrijden dan Bekink, heet het in de buitenlandse dienst.

Bekink, een diplomatieke trekvogel die gewerkt heeft in Afrika, Amerika en Europa: „In Nederland kijken ze er niet van op, maar hier betekent een ambassadeur nog wat. En daar willen bedrijven, ook de grote jongens, van profiteren.” Shell, DSM en Philips kunnen het best zonder een ambassadeur, maar meegaan als zij dat vragen helpt toch. Het leverde Bekinks ambassade een prijs van VNO/NCW op.

Voor een „pro-businesskabinet” als dat van Rutte en Rosenthal is het daarom vreemd dat premier noch minister China heeft bezocht. Dat heeft in zowel Peking als Shanghai onder Nederlandse bedrijven bevreemding gewekt. „Inderdaad wel jammer dat het er niet van gekomen is, want het brengt de contacten meteen naar een hoger niveau.” Bekink maakte eerder mee hoe Jan Peter Balkenende „op knappe wijze” banden smeedde met premier Wen Jiabao en vicepresident Xi Jinping, de toekomstige leider van China.

Rutte en Rosenthal wilden wel komen, maar het kwam er niet van vanwege de kabinets- en eurocrisis. Hetzelfde geldt voor Kamerleden. Op een enkeling na hebben zij China gemeden. Bekink zag de afgelopen jaren meer commissarissen van de koningin, burgemeesters en wethouders („alles bij elkaar een hele stoet”) naar China komen. Het wekt de indruk dat het China-beleid is uitbesteed aan lagere overheden.

Maakt het uit? „Ach ja, uiteindelijk wel. Bewindslieden en oud-bewindslieden doen het hier goed. Dat zie je aan de Duitsers, de Denen en de Fransen, die dat knap en planmatig aanpakken. Maar we staan er als Nederland goed voor, hoor. Onze landbouw, onze waterprojecten, onze Keukenhof, het wordt allemaal zeer gerespecteerd”, zegt Bekink.

    • Oscar Garschagen