De Bovenbazen (28)

Pee Pastinakel luisterde niet naar hem. Hij verdween grimmig over de heuvels en heer Bommel begon doelloos voort te lopen. Om hem heen ritselde de wind door de dode planten en overal lagen insecten met de pootjes omhoog.

‘Dit is niet om aan te zien…’ prevelde hij met bleke lippen. ‘Het eens zo bloeiende landschap is een woestijn geworden! Ach, wat heb ik gedaan?’

‘U hebt het evenwicht in de natuur verstoord,’ zei Tom Poes.

‘Evenwicht verstoord?’ herhaalde heer Ollie dof. ‘Dit is veel erger, jonge vriend! Ik heb de bruine sluipers uitgeroeid. Die spinnen, je weet wel! Die waren de enige goede bestrijders van de keverplaag, als je begrijpt, wat ik bedoel.’

‘Maar dat bedoel ik juist,’ hernam Tom Poes geduldig. ‘Het enige wat u nu kunt doen is om spinnen uit een onbesmet gebied hierheen te brengen.’

Heer Bommel bleef getroffen staan.

‘Spinnen hierheen brengen?’ riep hij uit, terwijl een glimlach zijn gelaat verhelderde. ‘Maar natuurlijk! Dát is het! Ik had het zélf kunnen bedenken, als ik maar niet zo in de war geweest was!’

Op dat moment klonk het geluid van piepende remmen achter hem – en toen hij omkeek, zag hij de heer Steinhacker, die uit het portier van een fraaie automobiel naar hem zwaaide.

‘Hallo obb!’ riep de oliekoning minzaam. ‘Uitstekend gedaan, jongen! Je hebt hier een mooi stuk braak van gemaakt. Rijp voor industrialisatie en zo!’

    • Marten Toonder