De autoweg is hier niet alleen voor auto's

De langste snelweg van Europa, de E40, loopt van Frankrijk naar Kazachstan. Lynn Berger rijdt de weg van begin tot eind. Vandaag aflevering twee: Oekraïense wegwerkzaamheden.

De elektricien heet Pasha. Hij is dertig en woont ergens tussen Kiev en Charkov, in een vakantiepark dat volledig wordt bevolkt door stratenmakers en elektriciens. Dit is tijdelijk: binnenkort is de snelweg naast het park weer als nieuw en kan Pasha, die de lantaarnpalen doet, naar huis. Thuis is Poltava, een stad niet ver van hier, waar Peter de Grote ooit nog de Zweedse koning Karel de twaalfde versloeg. Pasha informeert naar onze plannen na Charkov. „Dan rijden we door naar Rusland.” „En dan?” „Naar Kazachstan.” „Kazachstan! En als jullie daar zijn?” „Dan draaien we om en rijden we terug.” Het duurt even voor Pasha is uitgelachen. Dan vraagt hij of we marihuana roken.

Wat voor Pasha gewoon de weg is tussen Kiev en Charkov en een tijdelijke bron van inkomsten, is ook de langste snelweg van Europa. De E40 begint in Frankrijk en komt daarna via België, Duitsland en Polen, Oekraïne binnen. Over de gehele 1.500 kilometer die de E40 in Oekraïne lang is lijken wegwerkzaamheden plaats te vinden: het oude pokdalige wegdek verdwijnt onder een nieuwe laag asfalt en in de grond worden bijpassende wegborden, lantaarnpalen en vangrails geplant. Dat Pasha’s laatste werkdag precies samenvalt met de aftrap van het EK, dat onder meer in Kiev en Charkov wordt gespeeld, noemt hij toeval: „De wegen in Oekraïne,” zegt Pasha, „zijn gewoon heel erg slecht.”

Twintig jaar geleden – Oekraïne was dankzij het het uiteenvallen van de Sovjet-Unie net een jaar onafhankelijk – introduceerde de Franse antropoloog Marc Augé de term non-lieux, ‘non-plaatsen’. Non-plaatsen zijn plekken waar je enkel bent om er weer weg te gaan, zoals luchthavens, internationale hotels, en autowegen: generieke plekken die niet beklijven en waar sociaal contact nauwelijks gedijt. Tot en met Polen was de E40 inderdaad een autoweg als elke andere: dat ik ’m speciaal vond kwam alleen doordat ik wist welke landen hij met elkaar verbond – na Oekraïne, Rusland, Oezbekistan, Kyrgizië, Kazachstan. De weg was een bijzonder verhaal, geen plaats. Maar sinds we op weg van Calais naar Kazachstan in Oekraïne zijn aanbeland is alles anders: een veelheid aan werelden ontvouwt zich hier op en aan de weg – en zo voelt de E40 hier vaak wel degelijk als een plek voor iemand, om te blijven.

Het sovjettijdperk is een van die werelden: het leeft voort in de architectuur en kunst aan de weg. Betonnen torenflats waarvan de uniformiteit slechts door een waslijn of dichtgemetseld balkon wordt onderbroken. Militaire tanks, gevechtsvliegtuigen en Lenins op sokkels. En op de weg: zodra je de grens oversteekt word je omringd door oude Lada’s. Het zijn aandoenlijke auto’s – auto’s zoals een kind ze tekent: blokkig, symmetrisch, en uitgevoerd in rood, geel, groen of blauw.

Naast Lada’s trekt buiten de steden een bonte stoet andere weggebruikers voorbij: fietsers, voetgangers, paard en wagen zelfs. Het idee dat een autoweg exclusief voor gemotoriseerde voertuigen is bedoeld dateert van begin vorige eeuw maar lijkt hier, ondanks het nieuwe asfalt, nog steeds niet echt te leven. Boerinnen in bloemetjesjurken verkopen hun waar in de berm: geïmproviseerde kraampjes met liefdevol uitgestalde radijsjes, komkommers en ingemaakte vruchten doen alsof de weg een marktplein is, geen drukke verkeersader. Vijftig kilometer ten westen van Kiev, waar auto’s met 90 kilometer per uur voorbijrazen, heeft iemand een zak aardappelen op de gloednieuwe vangrail gelegd: te koop voor wie wil, al is het volstrekt onduidelijk hoe je hier moet stoppen.

Over een glooiend landschap strekken akkers zich eindeloos ver uit, afgewisseld door dorpjes waar de gouden uivormige koepel van de plaatselijke Russisch-orthodoxe kerk blinkt alsof-ie vanochtend is gepoetst. Verder zijn die kerken vaak van hout, net als de meeste huisjes – huisjes die, met één verdieping en een puntdak, ook uit een kindertekening lijken te komen. Alleen de asbest dakbedekking misstaat in dit negentiende eeuwse tafereel. Maar als je je ogen een beetje toeknijpt, zie je dat niet eens meer.

Dan dendert de E40 Kiev binnen, en is hij plots getransformeerd tot een drukke winkelstraat waar patserige SUV’s op de stoep parkeren en hooggehakte, kortgerokte schoonheden inkopen doen bij Miss Sixty of Energie – bizar genoeg op het ritme van een montere sovjetmars, die uit de luidsprekers op straat schalt.

Terug in 2012 dus, jaar twee van de UN Decade of Action for Road Safety. Volgens de Verenigde Naties veroorzaken verkeersongelukken jaarlijks 1,3 miljoen doden en 50 miljoen gewonden: een ‘epidemic of road deaths’, noemt de organisatie dat. Die epidemie plaagt vooral landen in ontwikkeling zoals Oekraïne: door economische vooruitgang groeit het aantal autobezitters, maar wanneer veiligheidshandhaving en infrastructurele voorzieningen achterblijven, stijgt het aantal ongelukken mee. Om te begrijpen wat Pasha met „heel erg slecht” bedoelt, hoef je maar van de E40 af te gaan: zijwegen veranderen al snel in gatenkaas, grind en zand, en verlichting ontbreekt. De afgelopen vijf jaar ontving Oekraïne 650 miljoen euro aan leningen van de European Investment Bank en de European Bank for Reconstruction and Development om de hoofdwegen substantieel te verbeteren – uit dat potje wordt Pasha dus betaald. Volgens een EIB vice-voorzitter moeten betere, veilige wegen bijdragen aan de „verdere ontwikkeling van samenwerking tussen de Europese Unie en Oosterse partnerlanden” – een uitspraak die suggereert dat Oekraïne de lening deels dankt aan haar geografische en politieke bufferpositie tussen de Europese Unie en Rusland.

Nadat we Pasha’s aanbod om marihuana met hem te roken hebben afgeslagen, rijden we door naar Charkov, en vanuit Charkov naar de Russische grens. Zowel de weg als het landschap worden steeds leger en ruiger – minder Lada’s en akkers, meer steppe en droog zand. Hoe dichter we Rusland naderen, hoe meer de E40 weer een non-plaats wordt – en hoe meer ook weer een verhaal.

De grensovergang zelf is klein en rustig. De meeste passanten zijn te voet: Russen die in Oekraïne zijn gaan winkelen, of andersom. Ik zie oude mannen op slippers, een Clairy Polak-achtige vrouw in een alligatorkleurig broekpak, en een dikke dame die een affiche van New York vasthoudt waarop het Chrysler Building en Lady Liberty onwaarschijnlijk dicht naast elkaar staan.

Zometeen zullen we door een kaal steppelandschap naar Volgograd rijden (voorheen, en beter, bekend als Stalingrad), waar ik me zal verwonderen over de afmetingen van het oorlogsmonument. Na Volgograd zal Astrakhan volgen, waar plaatselijke jongeren op het grote plein zullen repeteren voor een balletvoorstelling over Ruslands zege in de Tweede Wereldoorlog. Lenin zal vanaf zijn sokkel toekijken en ik zal een beetje moeten huilen; maar dat gebeurt altijd wanneer ik kinderen op een podium zie staan. In Astrakhan zullen naast kerkkoepels voor het eerst ook moskeeminaretten verrijzen, mij eraan herinnerend dat onze reis kris-kras door de tijd ook een reis richting het oosten is.

Maar dat is voor later: nu, op het randje van Oekraïne, verwonder ik me over de petten van de Russische douaniers, die anderhalf keer zo groot zijn als die van hun Oekraïense collega’s, en maak ik me vrolijk om de kleine, dikke grenswachter met zwart haar, rode konen en een moeilijk been, die uit een paspoortcontrolehokje te voorschijn komt en weghobbelt, vastberaden als was hij op weg naar een verhaal van Tsjechov of Dostejevski.

    • Lynn Berger