Breng ’t corporatiehuis op orde

De financiële crisis bij woningcorporatie Vestia, de grootste van Nederland, blijkt geen geïsoleerd fiasco te zijn. Minister Spies (CDA, Binnenlandse Zaken) heeft gisteren nogmaals twee corporaties onder verscherpt financieel toezicht geplaatst. Een van hen is Portaal, een van de tien grootste.

Woningcorporaties zijn zelfstandige organisaties met nauwe banden met gemeenten én met de rijksoverheid die huisvesting moeten bieden aan mensen met een krappe beurs. De gemeenschappelijke noemer van hun problemen is een mislukte bescherming met complexe financiële producten (derivaten) tegen wijzigingen in de rente. Corporaties lenen voor tientallen miljarden euro en willen zich indekken tegen een stijging van de rente. Dat is begrijpelijk en kan prudent zijn. Een aantal wordt nu hardhandig herinnerd aan het feit dat de rente ook kan dalen, zelfs tot niveaus die tientallen jaren niet meer zijn voorgekomen.

De lage rente is het gevolg van de Europese schuldencrisis, waarin beleggers vooral Duitse en Nederlandse staatsobligaties kopen en zo de rente omlaag jagen.

De financiële partijen die de corporaties verzekerd hebben, trekken nu aan het langste eind en eisen dat corporaties geld opzij zetten om hen te betalen als aan het eind de looptijd van de verzekering de rente nog steeds laag is. Niet alle corporaties hebben dat geld.

Uit een gisteren verschenen rapport van de financiële toezichthouder op de woningcorporaties, het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV), blijkt dat bijna de helft van de 400 corporaties zulke financiële verzekeringen gebruikt. Sommige hebben de risico’s niet onder de knie. Het CFV gaat zover om corporaties aan te bevelen dat zij banken en anderen waarmee zij zaken doen duidelijk maken dat ze geen professionele beleggers zijn. Op die manier kunnen zij aanspraak maken op betere bescherming: banken hebben dan een indringender zorgplicht en moeten meer tekst en uitleg over (derivaten)transacties.

De maatregelen van minister Spies en het CFV-rapport maken twee onrustbarende gevolgen duidelijk. De eerste is dat de garantstelling van de overheid voor de continuïteit van de corporaties geen pro memorie post is. De publieke kas loopt concrete, maar nog niet gekwantificeerde risico’s. De tweede is dat de debacles de rol van de corporaties in de nieuwbouw van (huur)woningen verder reduceren. Dat is een extra tegenslag voor de, door de crisis, toch al geteisterde bouwnijverheid.

Achtereenvolgende kabinetten en parlementen zijn tot nu toe zonder resultaat bezig geweest met een nieuw kader voor de actieradius van en de controle op de woningcorporaties. In het externe toezicht is een overschot aan controleurs, maar tegelijkertijd een tekort aan duidelijkheid wie waarvoor verantwoordelijk is. De risico’s groeien rap, de tijd dringt.