Waarom toch die 'schoen' in het woord handschoen?

Marcel Bertrand, die zowaar een next question instuurt vanuit het Zwitserse Genève, wil weten waar in het Nederlands de associatie met ‘schoenen’ vandaan komt in het woord ‘handschoen’. „Zou ‘handkousen’ niet logischer zijn?”

„Dat is niet zo moeilijk hoor”, zegt Bianca du Mortier, kostuumconservator van het Rijksmuseum in Amsterdam. „Schoenen komt van het woord ‘schoeien’, dat bedekken betekent.”

Met handschoenen ‘schoei’ je dus je handen: je dekt ze af tegen de elementen. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal omschrijft de handschoen dan ook als volgt:

Een kleedingstuk dat de hand bedekt en (in onderscheiding van eene want) niet alleen den duim, maar ook de overige vingers afzonderlijk omgeeft.

Dat laatste is niet altijd vanzelfsprekend geweest. De eerste handschoenen werden al duizenden jaren geleden gebruikt en hadden geen vingers. Van de huid van dieren werden wanten gesneden en gebruikt tegen de kou en om de handen te beschermen tegen zwaar werk.

Geen handschoenen met vingers nog, want „een handschoen is nou eenmaal een ingewikkeld ding om te maken”, zegt Du Mortier. „Nu ga je naar de Hema en koop je een handschoen van vijf euro, die past altijd. Maar het heeft een hele tijd geduurd voordat de mens de vorm van een handschoen kon manipuleren.”

De handschoon werd pas bewust ‘handschoen’ genoemd ten tijde van de ridders, volgens etymoloog Nicoline van der Sijs. „Met handschoenen met aparte vingers konden de ridders beter hun wapens vasthouden.”

De handschoenen hebben dus in de loop der tijd hun functie van alleen ‘schoeien’ verloren. De handschoen kreeg een symbolische functie: in de zeventiende eeuw gaven verloofde stellen in ons land elkaar kostbare, fraai versierde handschoenen. En vanaf de elfde eeuw werd de overdracht van een handschoen geaccepteerd als rechtsgeldige bezegeling van een contract. Zo kocht een man zijn vrouw van zijn schoonvader met een handschoen met geld.

Ook een vraag voor deze rubriek? Mail naar vraag@nrc.nl