Vechten om de knapste koppen

De universiteit is multinational geworden. Zij concurreert wereldwijd om studenten, die geld opleveren. Marc Leijendekker

De Sorbonne in Abu Dhabi, nagebouwd in de oorspronkelijke Franse stijl. De Parijse universiteit zit er sinds 2006. Er zijn 37 campussen van universiteiten in de Verenigde Arabische Emiraten. Foto AFP

Een van de eerste maatregelen die de nieuwe regeringen in Moskou en Parijs hebben genomen, onafhankelijk van elkaar, is het gemakkelijker maken voor buitenlandse studenten om te komen studeren en daarna te blijven, in elk geval een paar jaar. Veel hoog opgeleide mensen in een land betekent een sterke economische concurrentiepositie. Rusland heeft de buitenlandse ervaring nodig „als bodem onder de creativiteit van zijn eigen wetenschappers”, zei premier Medvedev.

Steeds meer landen zien dat ze er economisch belang bij hebben om hun hoger onderwijs internationaler te maken. Ook staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) schreef vorige maand dat het voor buitenlandse studenten aantrekkelijker moet worden om na hun studie in Nederland te blijven. Volgens het Centraal Planbureau kan het positieve effect van buitenlandse studenten op de overheidsfinanciën oplopen tot 740 miljoen euro.

De strijd om de knapste geesten is een wereldwijde vechtmarkt geworden. Landen en universiteiten concurreren om de beste studenten uit het buitenland. Die kunnen het onderwijs en onderzoek opvijzelen en bedrijven een voorsprong geven. De Technische Universiteit Eindhoven maakt bijvoorbeeld afspraken dat studenten twee jaar een beurs krijgen en daarna drie jaar werken bij de hoogtechnologische bedrijven in de regio, die zitten te springen om goede mensen.

„Duitsland werkt binnen Europa waarschijnlijk het meest systematisch aan de internationalisering van zijn hoger onderwijs”, zegt Robin Middlehurst, onderwijsdeskundige van Kingston University in Londen. Zo is er een zeer royale pot beurzen beschikbaar voor buitenlandse studenten – en trouwens ook voor Duitse studenten die een tijdje naar het buitenland willen. „Ze zien dat als een manier om hun handelsbelangen te bevorderen, in termen van diplomatie en soft power.”

Ook Japan wil graag buitenlandse studenten maar dan vooral om de vergrijzing te temperen. De New York Times constateerde onlangs dat Japanse bedrijven, waar levenslange trouw aan één onderneming nog steeds een belangrijke norm is, weinig behoefte hebben aan mensen die hun buitenlandse ervaringen, en daarmee onbevangener manier van kijken en doen, willen inbrengen.

Vergrijzing

Versterking van de internationale concurrentiepositie en tegengaan van vergrijzing zijn belangrijke economische overwegingen om het hoger onderwijs internationaler te maken, maar het gaat soms nog directer om de centen. Je kunt goed geld verdienen met hoger onderwijs aan buitenlandse studenten.

Neem Australië en Nieuw-Zeeland. „Of je nu op zoek bent naar avontuur of persoonlijke ontwikkeling, het verbeteren van je Engelse taalvaardigheden of een voorbereiding op een international (sic) carrière”, wij bieden het, zo staat op een gezamenlijke website in het Nederlands. Wie geïnteresseerd is, krijgt veel hulp aangeboden, belooft de site. „Gratis? Gratis!”

De twee landen verdienen er goed aan. Voor Australië is hoger onderwijs na kolen en ijzererts de belangrijkste bron van buitenlandse valuta. In het academische jaar 2010-2011 brachten buitenlandse studenten 16,3 miljard dollar, nu ongeveer 13,3 miljard euro, in het laatje. Meer dan één op de vijf studenten in Australië komt uit het buitenland. Voor veel universiteiten vormen buitenlandse studenten die het volle pond betalen aan collegegeld, een onmisbare bron van inkomsten. In Nieuw-Zeeland zijn de inkomsten via buitenlandse studenten in tien jaar tijd verviervoudigd, naar 1,7 miljard euro. Het land verdient meer aan zijn universiteiten dan aan zijn wijn. De Canadese regering heeft uitgerekend dat buitenlandse studenten meer opleveren dan kolen. Volgens een recent Brits rapport is hoger onderwijs voor buitenlandse studenten de grootste groeisector: de 9,7 miljard euro aan inkomsten uit 2009 zouden kunnen stijgen naar 20,9 miljard euro in 2025.

Maar is het wel een goede ontwikkeling, dat hoger onderwijs steeds vaker door een economische bril bekeken wordt? Twee maanden geleden waarschuwde een groep universiteitsbestuurders en onderwijsdeskundigen uit heel de wereld dat het de verkeerde kant op gaat. Concurrentie dreigt in de plaats te komen van samenwerking, zo staat in een ‘Oproep tot actie’ van de Internationale Associatie van Universiteiten. „Nu het hoger onderwijs in sommige opzichten een wereldwijde ‘industrie’ is geworden, is de internationalisering van hoger onderwijs in sommige gebieden een competitie geworden waarin commerciële en andere belangen soms de fundamentele academische missie en waarden overschaduwen.”

Campus Qatar

Dat speelt bijvoorbeeld bij het groeiende aantal buitenlandse campussen van westerse universiteiten. Alleen al in de Verenigde Arabische Emiraten hebben 37 buitenlandse universiteiten een eigen campus. Een andere Golfstaat, Qatar, lokt buitenlandse universiteiten met oliedollars naar een ‘Education City’. Ook in China, Singapore en Maleisië zijn steeds meer buitenlandse universiteiten actief. Zij kunnen daar hun goede naam te gelde maken, en werken aan een internationaal wetenschappelijk netwerk. Soms is het een soort franchise, soms is er een nauwe band met de moederuniversiteit.

New York University loopt voorop in het opzetten van een internationaal academisch netwerk. Maar vaak is bij deze vertakkingen van universiteiten de kritiek te horen dat er vooral financiële motieven spelen. Het gaat om de overheidssteun en de collegegelden. Veel universiteiten zetten die internationale stappen zonder duidelijke academische strategie, zei Tom Gore, van de Universiteit van Londen, op een conferentie eind april in Kuala Lumpur. „De tendens bestaat om een businessmodel te verwarren met een strategie.”

Tom, Dick en Harry

Op diezelfde conferentie zei de Maleisische staatssecretaris voor Hoger Onderwijs, Hou Kok Chung, dat zeker 25 buitenlandse universiteiten „zaken willen doen” in zijn land. In principe zijn ze welkom, zei hij, als aanvulling op het bestaande aanbod aan hoger onderwijs. Maar hij waarschuwde dat Maleisië scherper gaat letten op de kwaliteit. „Dit mag geen free-for-all-situatie worden, waarin elke Tom, Dick en Harry-universiteit simpelweg kan binnenkomen en een campus kan openen.”

Een maand eerder had een hoge Chinese functionaris zich in Londen in dezelfde zin uitgelaten. „Niet alle buitenlandse partnerschappen zijn van hoge kwaliteit”, zei Wang Lisheng, een medewerker van het Chinese ministerie van Onderwijs. Bij een steekproef van honderd onderwijsprogramma’s kon net de helft de Chinese kwaliteitstoets doorstaan.

Meer studenten van buiten betekent niet automatisch een verrijking. Binnen Europa wordt bijvoorbeeld in principe geen extra collegegeld gevraagd aan studenten uit een ander EU-land. Landen als Nederland, Oostenrijk en Denemarken, die veel Duitse studenten krijgen, moeten daar geld op toeleggen, zoals op elke student. Voor instellingen in grensstreken zijn ze juist een welkome aanvulling op hun studentenbestand. Daarom kijkt Den Haag heel anders aan tegen de zalen vol Duitse studenten dan universiteiten en hogescholen in Groningen, Nijmegen, Venlo of Maastricht. Als internationalisering bedoeld is om je eigen denkraam los te laten, is een mix van nationaliteiten te prefereren, schreef staatssecretaris Zijlstra.

Een vergelijkbare redenering is in België te horen. Al die ‘uitwijkelingen’ die in België medicijnen komen studeren omdat ze in Nederland zijn uitgeloot, zijn dat wel topstudenten die een verrijking vormen voor de universitaire gemeenschap? En willen ze wel blijven? Het kan ook simpelweg te duur worden. In Zweden is het aantal buitenlandse studenten gekelderd sinds die het volle pond aan collegegeld moeten betalen.

Veranderingen in kosten of in het immigratie- of werkbeleid hebben direct gevolgen voor de stroom studenten. Maar de belangrijkste factor bij de keuzes die internationale studenten maken, zo blijkt uit onderzoek, is de kwaliteit van universiteiten. Er zijn heel wat manieren om die te meten, maar de belangrijkste graadmeters zijn de Times Higher Educations’ Rankings en de Academic Ranking of World Universities van de Universiteit van Shanghai (zie volgende pagina). Op beide lijsten domineren Engelstalige universiteiten.

Er wordt van veel kanten gepleit voor een bredere benadering, met meer verschillende criteria. Maar Jamil Salmi, auteur van een rapport van de Wereldbank over topuniversiteiten, waarschuwt dat onderlinge vergelijkingen hoe dan ook hard nodig zijn. Onderwijs is de sleutel voor economische groei. Dan is het goed voor een land en een universiteit te weten op welk academisch niveau ze staan. Iedereen kan er alleen maar baat bij hebben als dat soort inhoudelijke overwegingen bepaalt hoe het onderwijs verder internationaliseert, en niet commerciële.