Hoe mooi Spanje ook voetbalt, de herhaling in het spel begint te irriteren

Spaanse fan in de Gdansk Arena gisteravond. Foto AFP / Gabriel Bouys

De journalist van het Duitse blad Stern naast mij in het stadion van Gdansk zucht diep. Een meter of dertig onder ons probeert Spanje via een web van korte passjes dwars door het hart van de Italiaanse verdediging te breken.

Fans in het rood, zwaar in de meerderheid in het stadion, scanderen de naam van Iniesta. De kleine Spanjaard lijkt de bal telkens haast over de doellijn te willen dribbelen. “Schiet nou toch eens, doe iets”, sneert de Duitse collega naast me. “Probeer eens iets anders.”

Alles wat revolutionair is, wordt uiteindelijk mainstream

Het is een emotie (lichte irritatie) die ik ook voelde gisteravond bij zien van het spel van Spanje. Of zoals de Duitser het treffend verwoordde: “Ik heb het eerlijk gezegd wel een beetje gehad met dat tikkie-takkie-voetbal.”

Alles wat in het begin revolutionair is, wordt op een gegeven moment mainstream, en daarmee een stuk minder spannend.

Spanje voetbalt zoals Barcelona al tijden voetbalt. Ooit was dat heel mooi. Nou ja, eigenlijk is het nog steeds oogstrelend, maar wel vooral als de tegenstander ook een beetje meewerkt. En dat doen er steeds minder.

Het Chelsea-strijdplan

Sinds Chelsea in de halve finale van de Champions League Barcelona effectief bestreed, weet immers elk team hoe het Barcelona, en dus ook Spanje, af kan stoppen. Zij het in theorie. In het Chelsea-strijdplan mag je namelijk niet één keer verzaken, dan ga je er onmiddellijk aan.

Wat is die tactiek dan precies? Je laat Spanje (of Barcelona) rustig tot aan je eigen zestienmeter komen. Laat ze maar tikken, laat ze maar driehoekjes vormen, het zal allemaal wel. Schieten doen ze toch nooit, die Spanjaarden, en de aanval is fysiek te klein om een voorzet van de zijkanten tot een gevaarlijk wapen te maken. Net zo min heeft het voor Spanje zin om als verrassing een hoge bal over de verdediging van de tegenstander heen te leggen.

Alles gaat dus altijd kort over de grond. En altijd door het hart van de verdediging. Elk team dat een muur optrekt rond het eigen strafschopgebied, zich daarin terugtrekt en er de ruimtes zo klein maakt dat zelfs genieën als Xavi en Iniesta daarin niet meer de mogelijkheid hebben te combineren, houdt Spanje van het scoren af. Eén counter richting de andere kant van het veld is dan genoeg.

Het gaat 48 keer fout - als het maar twee keer goed gaat

Precies zo speelde Italië. Alleen wachtte dat land niet op één counter, maar kwam het er keer op keer razendsnel uit via lange, hoge ballen. Het maakte dat Italië lange tijd de gevaarlijkste van de twee ploegen was.

En het probleem van Spanje is dat het weet dat Italië begrijpt hoe het Spanje moet bestrijden, maar dat het zich daar niets van aantrekt. Spanje blijft het gewoon eindeloos op dezelfde manier proberen, wel een keer of vijftig dwars door het verdedigingscentrum. Want al gaat dat dan misschien 48 fout, het hoeft ook maar één of twee keer goed te gaan. Dat is hun insteek.

De spaarzame keren dat het lukt, is het prachtig. Dat geef ik direct toe. Zie bijvoorbeeld de goal gisteren van Fabregas. Maar het eindeloze proberen daaromheen gaat dus op den duur irriteren. Spanje voetbalt een beetje als de allermooiste, maar hangende grammofoonplaat.

    • Niels Posthumus