Samen feesten in Europa

Europese studenten gaan graag een tijdje naar het buitenland met een Erasmusbeurs. Leuk, leerzaam. Maar op de universitaire wereldmarkt zijn Europeanen weinig talrijk, en niet zo ambitieus. Marc Leijendekker

Veel is er niet te vieren voor de Europese Unie in deze tijden van financiële en politieke crises. Maar iets wel. Precies vijfentwintig jaar geleden, toen het IJzeren Gordijn nog bestond en Europa hoofdzakelijk een economische gemeenschap was, werd het Erasmus-programma in het leven geroepen, het programma van beurzen waarmee studenten een paar maanden of een jaar in het buitenland kunnen studeren. Erasmus is een Europees succesverhaal. In 1987 kregen ruim 3.200 studenten uit de elf landen die toen meededen, een beurs voor een paar maanden buitenland. Vorig jaar ontvingen 231.000 studenten zo’n Erasmusbeurs, voor drie tot twaalf maanden studie. Ze komen uit alle 27 lidstaten van de huidige EU, plus Noorwegen, Turkije, Kroatië, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland. Van alle studenten in Europa krijgt 4,5 procent ergens in zijn of haar studietijd een Erasmusbeurs. Onder hen zijn dit studiejaar ruim 9.400 Nederlandse studenten. Ze krijgen 220 euro per maand.

Vier miljoen

De groeiende belangstelling voor het Europese Erasmusprogramma weerspiegelt de mondiale tendens. Steeds meer studenten trekken naar het buitenland om daar onderwijs te volgen of stage te lopen. Volgens de OESO, de club van rijke industrielanden, studeerden wereldwijd in 1975 zo’n 800.000 jongeren in het buitenland. Anno 2012 zijn het er vijf keer zo veel, bijna vier miljoen. Hier zitten ook veel studenten bij die, in tegenstelling tot het Erasmusprogramma, heel hun opleiding in het buitenland volgen. Vroeger was studeren in het buitenland hoofdzakelijk voorbehouden aan Amerikaanse en andere westerse studenten, en aan een select groepje van elitestudenten uit zogeheten ontwikkelingslanden. Dat is veranderd, zegt de gezaghebbende onderwijsdeskundige Philip Altbach, directeur van het Centrum voor Internationaal Hoger Onderwijs in Boston. De opkomende economieën eisen tegenwoordig het grootste deel van de mondiale groei aan buitenlandse studenten voor zich op. Van de 3,7 miljoen jongeren die in 2009 buiten hun eigen land studeerden, kwam meer dan de de helft uit China, India en Zuid-Korea.

China en India

Altbach signaleert nog een, daarmee samenhangende tendens. In het verleden waren het vooral mensen in de tweede fase van hun studie die enige tijd naar een ander land gingen, om een master’s te halen of te promoveren. Nu zit de groei vooral op het niveau van de undergraduates, de bachelors. „Dat komt vooral door de economische ontwikkelingen in China en India. Steeds meer mensen daar kunnen het zich veroorloven hun kinderen een eersteklas opleiding te geven.” Bovendien is de vraag naar goed onderwijs daar groter dan het aanbod. Dat stimuleert het studeren in het buitenland. „Liever naar een goede buitenlandse universiteit dan naar een tweederangs universiteit in eigen land”, zegt Altbach.

Verenigde Staten

Dat de Verenigde Staten nog steeds onbetwist aan de top staan als aantrekkelijkste bestemming voor buitenlandse studenten – 18 procent kiest voor een Amerikaanse universiteit – is geen wonder. Het is de combinatie van de Engelse taal en de hoge kwaliteit van het onderwijs, die de doorslag geeft. Nummer twee en drie zijn ook Engelstalige landen: het Verenigd Koninkrijk en Australië. Dan volgen Duitsland en Frankrijk, waar een buitenlands avontuur goedkoper is en steeds meer studies in het Engels worden aangeboden. De grote verschuivingen worden lager op de lijst van bestemmingen zichtbaar. Studenten uit Azië, Afrika en Latijns Amerika kiezen niet klakkeloos voor een westerse universiteit. Ze blijven steeds vaker in de eigen regio, waar ambitieuze universiteiten hun poorten openen. China heeft grote plannen, net als Singapore, Maleisië, Qatar en Dubai.

Europa

Europa als geheel staat wel op nummer één als het gaat om de populairste bestemming van buitenlandse studenten. Maar dat komt vooral door het jubilerende Erasmusproject en zijn tijdelijke studies. Bijna driekwart van de buitenlandse studenten in Europa komt uit een ander Europees land. Studenten uit de opkomende wereldmachten China, India en Brazilië kiezen in merendeel voor een volledige studie in niet-Europese landen. In het algemeen wordt die mobiliteit van studenten toegejuicht als positief. Maar onderwijsdeskundigen waarschuwen dat Erasmus niet alleen moet worden beoordeeld op het (groeiende) aantal deelnemende studenten. Inhoudelijk valt er op de kwaliteit van de korte buitenlandse studies met een Erasmusbeurs nog wel wat af te dingen, oordeelde bijvoorbeeld het Duitse weekblad Die Zeit onlangs onder de kop ‘Erasmus, Orgasmus’. Volgens het blad zien veel studenten hun Erasmusbeurs als een kaartje voor „het grootste zuip- en seksexces van Europa”. „Je moet voor ogen houden wat je met die mobiliteit wilt bereiken’’, zegt Hans de Wit, lector Internationalisering van het onderwijs aan de Hogeschool Amsterdam. „Studenten zouden in aanraking moeten komen met een andere manier van leven en denken. Maar in de praktijk blijven ze in die paar maanden in het buitenland vaak hangen in groepjes uit eigen land en hebben ze vooral contact met andere buitenlandse studenten, en veel minder met studenten uit het gastland zelf”.

    • Marc Leijendekker