Prehistorische tekenfilms in grotbioscoop

Grotschilders suggereerden al beweging in hun tekeningen. Als ze met een toorts langs de schilderingen gingen, kwamen de paarden en bizons tot leven.

De makers van prehistorische grotschilderingen waren een soort animatiefilmers. Ook zij wekten met hun afbeeldingen de suggestie van beweging. Ze maakten ook een voorloper van de thaumatroop, de wonderdraaier. Dat zeggen Marc Azéma, filmer en onderzoeker bij het Centrum voor Onderzoek van Paleolithische Kunst in Toulouse, en Florent Rivère, kunstenaar en experimenteel archeoloog, in het tijdschrift Antiquity (juni).

De paleolithische ‘kunstenaars’ hadden volgens Azéma twee manieren om beweging te suggereren: dezelfde afbeeldingen meerdere keren over elkaar heen schilderen of verschillende afbeeldingen naast en achter elkaar zetten.

In de Grotte de Chauvet in de Ardèche hebben de grotschilders ruim 30.000 jaar geleden bijvoorbeeld een bizon twee keer over elkaar afgebeeld en wel zó dat hij acht poten lijkt te hebben. En in de Grotte de la Marche bij Poitiers (Midden-Frankrijk), met zijn 15.000 jaar oude schilderingen, is een paard te zien waarvan delen schetsmatig zijn vermenigvuldigd. Hij is afgebeeld met vijf of zes hoofden, vijf of zes voorzijdes en twee staarten. De prehistorische schilders zouden op die manier de bewegingen van de dieren in frames hebben ontleed. Tekeningen in het artikel en een animatiefilmpje op de website van Antiquity laten het effect zien. In het eerste geval rent de bizon en in het tweede geval beweegt het paard zijn hoofd op en neer en zwaait met zijn staart. De kunstenaars maakten volgens Azéma onbewust gebruik van gezichtstraagheid, waarbij de ogen en hersenen snelle bewegingen niet goed kunnen volgen, gaten aanvullen en als het ware een filmpje maken. In de donkere grotten werd dit effect bereikt door snel met een toorts langs de schilderingen te gaan.

Azéma heeft de afgelopen jaren een inventarisatie gemaakt. In twaalf grotten in Frankrijk zijn 53 figuren ‘bewegend’ afgebeeld. Daarbij gaat het 31 keer om rennen en galop, 22 keer om het schudden van hoofd of kop en acht keer om de staart schudden. In Lascaux komen met twintig bewegende dieren, vooral paarden, de meeste voorbeelden voor.

Een bewerkt runderbot uit de Grotte de la Vache (Ariège) maakt duidelijk dat de kunstenaars ook bewegingen suggereerden door beelden achter en naast elkaar te zetten. Op het ongeveer 15.000 jaar oude bot is als in een strip een rennende leeuw in drie fases afgebeeld.

Een paar jaar geleden werd Azéma door Florent Rivère op de mogelijkheid gewezen dat mensen 15.000 jaar geleden zelfs al beschikten over een soort thaumatroop, die officieel in 1815 is uitgevonden.

Azéma had dat idee al twintig jaar eerder, toen hij een zandstenen plaatje met aan weerszijden een afbeelding van een rendier onderzocht. Als hij het plaatje, dat in 1947 in de Grot van Isturitz in de Pyreneeën was ontdekt, snel omdraaide leek het dier getroffen door een pijl ineen te zakken.

Rivère had op zijn beurt experimenteel onderzoek gedaan naar kleine ronde schijfjes van bot met ook aan weerszijden een afbeelding en in het midden een uitgeboord gaatje. Tot nu toe nam men aan dat het hangers waren. Rivère liet zien dat als je een of twee draden door het gat deed en het schijfje op en neer liet draaien een ‘filmpje’ ontstond. Op een schijfje, dat in 1827 in de schuilplaats van Laugerie-Basse in de Dordogne is gevonden, zakt een gems ineen, getroffen door een pijl, en een mammoet op een schijfje uit Raymonden (Dordogne) sluit zijn oog en blaast de laatste adem uit.

Azéma en Rivère begrijpen dat hun hypothesen lastig zijn te bewijzen. Ze vinden wel dat er intussen genoeg aanwijzingen zijn om hun aannames als zeer waarschijnlijk te beschouwen.

    • Theo Toebosch