Onschuldig de gevangenis in, en op straat gezet met niks

De schadevergoeding maakte de onterechte gevangenisstraf niet goed. „Pas als je uit de cel komt, begint de ellende.” Nazorg? Die krijg je alleen als je terecht hebt vastgezeten.

In zijn achteruitkijkspiegel ziet hij een wit Mercedesbusje naderen. Dienst Justitiële Inrichtingen staat erop. Gevangenenvervoer. Het busje verandert van rijstrook om in te halen. De 48-jarige Gert, rijdend op de A28 richting Groningen, twijfelt geen moment. Hij gooit zijn auto ervoor. Op de remmen. De bus wijkt uit naar rechts om te passeren. Gert gaat mee. Weer naar links. Rechts. Links. „Ik dacht: jullie komen er hoe dan ook niet langs. Niet na wat jullie mij hebben aangedaan.”

Twee jaar geleden zat Gert, een meubelmaker met grijzend haar, in zo’n zelfde busje. Als gevangene. Hij werd overgebracht naar een cel in Lelystad, waar hij 90 dagen heeft gezeten. „Het waren de ergste dagen van mijn leven.”

Nu zit hij hier, met zijn beste vriend Harry (49), in het Alkmaarse kantoor van diens advocate Ivonne Leenhouwers. Gert en Harry hebben elkaar in de gevangenis leren kennen. Allebei zaten ze vast voor een zedendelict. Beiden werden in hoger beroep vrijgesproken.

Het aantal mensen dat ten onrechte in hechtenis wordt genomen, is de afgelopen tien jaar fors toegenomen. Sinds 2002 is hun aantal verdrievoudigd, bleek zaterdag uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Vorig jaar ontvingen bijna 10.000 ex-gedetineerden een schadevergoeding van de overheid.

Gert was een van hen. Het begon voor hem allemaal met een echtscheiding, waardoor zijn 14-jarige dochter in 2009 bij hem kwam wonen. Gert kreeg een nieuwe vriendin, die óók met haar kinderen bij hem introk. Zijn dochter werd jaloers, er kwamen ruzies, en ze ging terug naar haar moeder. Daar beschuldigde ze haar vader van misbruik.

Gert maakte zich geen zorgen toen hij zich moest melden bij het politiebureau in Zwolle. „Ik dacht: ik kom hier even uitleggen hoe het zit en sta straks weer buiten.” Maar Gert kwam niet meer naar buiten. Er volgden dagenlange verhoren. „Ik werd helemaal gek gemaakt. Ze gingen vlak over me heen hangen en riepen: ‘Geef het nou maar toe! Zeg nou maar dat je het gedaan hebt!’ Urenlang. Ik ging bijna aan mezelf twijfelen. Op een gegeven moment schreeuwde ik: alsjeblieft, hou hier mee op!”

Gert bleef ontkennen, maar de rechter liet zich in eerste instantie overtuigen door het verhaal van zijn dochter. Vonnis: anderhalf jaar cel.

In de gevangenis stortte Gert in. „Wat kun je doen in een cel? Tv kijken. Slapen. Jezelf opvreten. Ik kon het onrecht niet verwerken. De gedachte dat ik hier zat om iets wat ik niet gedaan had, maakte me kapot.” In de gevangenis kon Gert er met niemand over praten, uit angst voor represailles van medegevangenen. Totdat hij van een bewaarder hoorde dat verderop in het cellencomplex nog iemand in hetzelfde schuitje zat: Harry. Er kwam een gesprek. En vanaf dat moment kwamen er iedere dag lange gesprekken. Gert: „Het gaf mij heel veel steun dat er nog iemand in dezelfde situatie zat als ik.”

„Gert zat er helemaal doorheen”, zegt Harry.

Gert: „Ik voelde me maar alleen in dat hokkie.”

Harry: „Ik heb ’m op z’n donder gegeven. Maar het bleef moeilijk. Heel moeilijk.”

Gert: „Op een gegeven moment had ik een scheermesje. Toen heb ik op het punt gestaan om…” Hij maakt een snij-gebaar. Zijn ogen worden vochtig. „Ik wilde een einde maken aan dit drama.”

Harry zat op dat moment al enkele maanden in de cel. Hij werd door zijn pleegdochter beschuldigd van misbruik. Waarom zij hem beschuldigde, weet hij tot op de dag van vandaag niet. Het contact met haar was altijd wel redelijk. Harry denkt dat zijn dochter aandacht wilde. De politie kon hij er niet van overtuigen. Harry kreeg het gevoel dat zijn verhoorders er op voorhand vanuit gingen dat hij schuldig was. Tunnelvisie. „Ze denken al snel: waarom zou iemand zoiets verzinnen? Je bent als man zijnde altijd de bok. Bewijs maar dat je het niet gedaan hebt. Je staat bij voorbaat al 10-0 achter.”

Harry’s toenmalige advocaat stelde een bekentenis voor, dan kon hij er misschien met een werkstraf vanaf komen. Harry weigerde. „Ik wilde niet bestraft worden voor iets wat ik niet heb gedaan.”

Na zijn veroordeling kwam Harry in de gevangenis van Lelystad terecht, waar hij vereenzaamde. Langzaam raakte hij alles kwijt. Zijn drie overige pleegkinderen. Zijn vrouw, met wie hij 25 jaar was getrouwd. Zijn baan als vrachtwagenchauffeur. Zijn vrienden. „Allemaal dachten ze: er zal wel iets van waar zijn. Waar rook is, is vuur.”

Maar er was geen vuur. Harry wisselde van advocaat en werd in hoger beroep vrijgesproken. Het gerechtshof concludeerde, na de pleegdochter nogmaals als getuige te hebben ondervraagd, dat haar verhaal niet geloofwaardig was.

Kort daarna volgde ook vrijspraak voor Gert. Het gerechtshof stelde vast dat het verhaal van zijn dochter tegenstrijdigheden bevatte.

Met hun vrijspraak kregen Gert en Harry niet terug wat ze verloren hadden. „Ik werd ’s avonds vrijgelaten”, zegt Harry. „Maar waar kon ik heen? Ik was mijn huis en mijn vrouw kwijt. Laat mij maar morgenochtend vrij, zei ik. Dat mocht niet. De bewaker zei bij de poort letterlijk: zie je dat bankje daar? Slaap daar maar op.”

Gert: „Pas als je eruit komt, begint de ellende. In de gevangenis denk je constant: als straks de waarheid boven tafel is, kom ik vrij en ga ik dit en dat doen. Eenmaal buiten de muren stort je in en kan je niets meer.”

Ze belandden allebei in een zware depressie. Gert: „Ik kon niemand meer vertrouwen. Als iemand zei: ‘dat doe ik wel even’, dan dacht ik: ‘jaja, vast wel.’” Harry kwam niet meer buiten de deur. „Ik deed de gordijnen dicht en ging op bed liggen, wekenlang. Ik was heel bang in huis. Iedere keer als de voordeurbel ging, dacht ik: ze komen me halen.”

Er was een schadevergoeding. Ach ja, zeggen de twee, die 80 euro per celdag. Aan nazorg hadden ze meer gehad. Maar reïntegratieprojecten heeft Nederland alleen voor gedetineerden die terécht hebben vastgezeten. Niet voor gevallen als Harry en Gert. „De gedachte is: joh, wees blij dat je vrij bent”, zegt Harry. „Alsof wij flierefluitend de gevangenis uitlopen. De realiteit is dat we op straat zijn gezet met niks. Geen kleren, geen auto, geen werk, geen huis. Juist dán is er nazorg nodig.”

Beiden zijn er ruim anderhalf jaar na hun vrijlating nog steeds mee bezig. Harry wordt regelmatig badend in het zweet wakker. Hij loopt bij een psycholoog en slikt medicatie.

Gert kon ondanks de schadevergoeding van justitie zijn hypotheek niet meer betalen en heeft een groot deel van zijn huisraad moeten verkopen. Mentaal is hij „op de goede weg terug”, al blijven de trauma’s. „Als ik een sleutelbos zie, krijg ik al kippenvel.” Het doet hem denken aan de sleutels van de cipier.

Harry is in Duitsland gaan wonen, in een huurhuis met een uitkering. Nederland is hij „helemaal zat. Deze rechtsstaat hier is een zooitje.” Psychisch is hij aan de beterende hand, zegt hij. „Ik krabbel langzaam overeind. Ik kom steeds vaker buiten. Af en toe spreek ik weer eens iemand. Alleen…” Hij zucht. „Het komt nooit meer helemaal goed.”

    • Andreas Kouwenhoven
    • Enzo van Steenbergen