Intellectualistische Perahia neemt wraak via Chopin

Klassiek

Murray Perahia (piano). Gehoord: 10/6 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 9/7, 20 uur. ****

Integer, analytisch, precies en poëtisch – zo zou je pianist Murray Perahia kunnen typeren. Zonder twijfel zou hij zelf gruwelen van zo’n miniportret in grove halen; van een musicus die leeft voor nuances, detail en helderheid verwacht je niet anders. Perahia is bovendien iemand die zich graag presenteert in een breed programma, zoals ook gisteravond in zijn interessant samengestelde recital in de serie Meesterpianisten.

In Schuberts Sonate in A (D.664) werkte Perahia’s analytische aanpak en kwam alle zonnige lyriek stralend tot bloei. Maar Beethovens Mondscheinsonate miste rauwe rafelranden en dromerige terzijdes: hier had Perahia’s intellectualisme de overhand. Dat gold ook voor Schumanns weinig gehoorde Faschingsschwank aus Wien: muziek die borrelt van libidineus lente-élan, humor en getormenteerd temperament. Perahia streek alle ambivalentie echter glad met een heldere blik en fel uitgelichte syncopes. Waar was de zangerigheid in het Intermezzo? Bij een pianiste als Maria João Pires (bijvoorbeeld) zingt daar de rechterhand – herkenbaar vooruitwijzend naar Schöne Fremde, uit Liederkreis op. 39. Hier regeerde een ‘democratische’ maar vervreemdend gelijke verdeling tussen melodie en begeleiding.

Perahia revancheerde zich in werken van Chopin. Hier bekoorde wel de onzware ernst (Mazurka op. 63 nr. 3). En het duizelingwekkend Scherzo in b-klein verhitte de bomvolle zaal zozeer dat twee toegiften (Schuberts Impromptu op. 90 nr. 4 en Brahms’ Intermezzo op. 119 nr. 3) volgden.

    • Mischa Spel