Column

Een blowende student als machtsfactor in de wereld

Bill Clinton liet zijn baard staan, betoogde tegen de oorlog in Vietnam en rookte marihuana, toen hij van 1968 tot 1970 in Oxford studeerde. Want student zijn in het buitenland draaide nu eenmaal niet alleen om studeren. Een diploma haalde hij er niet.

Maar Clinton heeft er vast een mooie en leerzame tijd gehad – want welke student die een tijdje in een ander land kan studeren heeft dat nou niet? Nog geen twee jaar was hij president of hij maakte al een sentimental journey naar Oxford, waar hij alsnog een bul kreeg – een eredoctoraat voor zijn werk als ‘onvermoeibaar kampioen van de wereldvrede’.

Of zijn studie in Oxford ook de Verenigde Staten en Groot-Brittannië iets heeft opgeleverd, is minder makkelijk vast te stellen. Heeft hij er meer begrip voor de Britten door gekregen, en valt de goede relatie die hij met Tony Blair had daartoe te herleiden? Zo simpel is het vast niet.

Maar het ligt voor de hand dat een land ervan profiteert als zijn burgers, en zeker zijn politici, een tijdje ondergedompeld zijn geweest in een andere cultuur, waar mensen anders met elkaar omgaan, anders werken en studeren, anders tegen de wereld aankijken dan thuis. In tijden van globalisering is internationale ervaring veel waard.

Tegelijk kan een gastland profiteren van het buitenlandse talent dat zijn universiteiten binnenstroomt. En als die studenten later naar hun vaderland terugkeren met warme gevoelens over hun buitenlandse verblijf, is het helemaal mooi.

Vanuit die gedachte beschouwt de Amerikaanse politicoloog Joseph Nye programma’s voor buitenlandse studenten als een belangrijke machtsfactor in de wereld. Nye is internationaal bekend als bedenker van het begrip Soft Power – het vermogen van een land om mensen (of landen) voor zich te winnen via cultuur, idealen of beleid. Amerika is daar altijd sterk in geweest, maar heeft zich sinds 9/11 volgens Nye te veel verlaten op klassieke Hard Power, macht afgedwongen met economische en militaire middelen.

Onderwijs is voor de VS een van de belangrijkste bronnen van Soft Power, zegt Nye, met Harvard als kampioen. Jaarlijks komen 750.000 studenten naar de VS, de meeste keren volgens hem terug met een positief beeld van het land en zijn inwoners.

Er valt een lange lijst samen te stellen van politici die aan een buitenlandse universiteit hebben gestudeerd. De Palestijnse president Abbas studeerde in Moskou aan de Patrice Lumumba Universiteit, in de Koude Oorlog opgericht voor studenten uit de Derde Wereld. De Israëlische premier Netanyahu aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT), net als Kofi Annan, de oud-VN-chef uit Ghana. De Iraanse minister van Buitenlandse Zaken, Ali Akbar Salehi, was student aan de American University in Beiroet en promoveerde aan het MIT. Benazir Bhutto studeerde in Harvard en Oxford, Elio Di Rupo in Leeds, de Marokkaanse koning Mohammed VI promoveerde in Nice en liep stage in Brussel (bij Jacques Delors). En ga zo maar door.

Directe politieke invloed is misschien wel het best te zien bij de Rus Aleksandr Jakovlev. Hij studeerde in de Koude Oorlog aan Columbia University in New York, waardoor zijn ideeën volgens Nye sterk beïnvloed werden. Later zou hij onder Sovjet-leider Gorbatsjov de architect van diens hervormingspolitiek worden.

Maar een buitenlandse studie is geen garantie voor een open geest, hoeft niet te leiden tot identificatie met het politieke systeem van het gastland, laat staan tot respect voor universele waarden of democratie. Pol Pot, als leider van de Rode Khmer in de jaren zeventig verantwoordelijk voor de dood van twee miljoen Cambodjanen, studeerde in Parijs. Mohamed Atta, een van de leiders van de aanslagen op 9/11, was student in Hamburg. En de voormalige Liberiaanse president Charles Taylor, onlangs tot vijftig jaar cel veroordeeld wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden, studeerde aan Bentley University, een goede business school bij Boston. Anders dan Bill Clinton keerde hij wel met een diploma terug naar huis.