De troost van de octopus

Wat zijn de kleine verhalen waar de moderne mens in gelooft? Wekelijks vertelt Arjen van Veelen zo’n moderne mythe. Vandaag: de dronken octopus.

Misschien denk jij wel eens stiekem dat het leven nergens over gaat. Dan vertel ik je graag het verhaal van de dronken octopus. Dat gaat zo. Je gaat naar de Gamma. Je koopt er een kledinghaakje, zo een voor de badkamer, met twee haakjes en met de schroefgaten schuin boven elkaar. Je schroeft het haakje aan je badkamerdeur. Je doet een stapje terug. Je kijkt. En dan gebeurt er iets raadselachtigs: de schroeven worden oogjes, lodderige oogjes. De twee haken, ze lijken wel gebalde vuisten. En opeens zie je iets nieuws: dit is geen haakje, dit is een dronken octopus die met je wil vechten.

Gezien? Welkom en proficiat: nu ben je lid van de club van mensen die dingen zien die er niet zijn. Nu ben je een soort gelovige.

Ik weet niet wie de dronken octopus voor het eerst heeft waargenomen. De oudste verhalen die ik op internet kon vinden dateren van een jaar of tien geleden. Maar de octopus is vast ouder, hoogstwaarschijnlijk even oud als de badkamerhaakjes zelf. Een paar jaar geleden was de octopus even een internethitje. Foto’s van het zeedier doken bij tientallen op. Er verschenen varianten en afsplitsingen, zoals de Chinese octopus (met als ogen geen kruiskoppen, maar schroeven met één spleetje) en de octopus met de kwade dronk (met bozige schroeven). De octopus werd een meme, een besmettelijk concept – inclusief T-shirts, mokken, fans.

Wie in een haakje een dier ziet, doet iets typisch menselijks. Groot is ons vermogen om dingen te zien die er niet zijn. We zijn er speciaal goed in om in levenloze dingen menselijke gedaanten te zien. Soort herkent soort. Een stopcontact is al snel een lachebekje. In de maanschijf zien we een mannetje. Of denk aan koplampen: je kunt je geen auto voor de geest halen, zonder in de lampen automatisch ogen te zien. Elk merk zijn gemoedstoestand: olijk, triest of nijdig.

Dat vermogen om dingen te zien die er niet zijn – mooie spoken – , maakt het leven prachtiger. We schilderen zo een extra betekenislaagje over de werkelijkheid, die van zichzelf betekenisloos is, en lelijk soms, zo lelijk als een stopcontact. Het is de basis onder alle kunst, van grottekeningen tot de Victory Boogie Woogie.

Er was een schrijver, ik meen W.F. Hermans, die op een eenzame hotelkamer in Parijs eens een foto maakte van een schakelaartje waar je een bedrukt gezichtje in kon zien. ‘Zwaarmoedige schakelaar’, doopte hij het ding. Iets zien in het zielloze biedt troost en verstrooiing. Zonder ons vermogen om octopussen te zien in de badkamer, is het hele leven saai, kil en sinister.

Met datzelfde vermogen schiepen we ooit godsdiensten. Ook gelovigen projecteren een extra laagje over de werkelijkheid. Gelovigen zien dingen die er niet zijn en kennen immense betekenis toe aan levenloze voorwerpen. Twee stukken hout kruislings op elkaar met een poppetje er op – het zijn geen stukken hout met een poppetje er op, nee, het is je enige weg naar de verlossing. Een zwarte steen van dertig centimeter doorsnee is niet een kei, maar een Heilige Steen (raak hem aan en alles komt goed).

Alle godsdiensten hebben hun dronken octopus. Het verschil met de internethit: het is geen grap meer. Het badkamerhaakje lijkt niet op een octopus, het is een octopus. En dat heilige haakje moet je aanbidden. En er is een heilige boek over wat het badkamerhaakje van je vraagt. Dat je bijvoorbeeld geen ham mag eten van het haakje of dat het haakje niet van homo’s houdt.

Godsdienst is als een doorgeslagen meme. De octopus is totalitair geworden. De grap is verdwenen, de lol is er af. Sterker, als je grappen maakt over het haakje, zijn mensen diep gekrenkt. Of als je zegt dat het haakje niet meer is dan alleen dat: een haakje.

Een jaar of zeven geleden waren er in Amerika felle debatten over de vraag of er in de biologieles ook het Bijbelse scheppingsverhaal moest worden verteld. In die tijd bedacht de Amerikaan Bobby Henderson de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster. Hij eiste vervolgens dat er op school lessen zouden komen over zijn Spaghettimonster.

Dat gebeurde niet. Maar zijn monster kreeg wel volgelingen: mensen die meenden dat het net zo absurd is om spaghetti te aanbidden als een god. En dat je dan beter voor spaghetti kunt kiezen, want die verbiedt je tenminste niet om lief te hebben wie je wil, en die vertelt geen apekool over de evolutie; de spaghettigod is alleen maar grappig. Dat is de vrolijkste religie: de Kerk van de Goede Grap.

Tijdens het vorige wereldkampioenschap voetbal was er een dier dat de toekomst kon voorspellen: Paul de octopus, uit een aquarium in Duitsland. Deze Paul had toevallig acht keer op rij de uitslag van een wedstrijd goed voorspeld (een kans van 1 op 600). Hij werd gezien als een profeet. Er kwamen liederen over Paul, hij werd ereburger van een Spaans dorp. Er was zelfs een Rus die, zo blijkt uit de documentaire The life and times of Paul the psychic octopus, een miljoen euro bood voor het weekdier. Absurd!

Absurd, dat vond ook de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad. Hij noemde het geloof in Paul een „symbool voor westerse decadentie”. Wie in zo’n beestje gelooft, is gek – daar had hij een punt. Maar de leider van een land waar homo’s worden gedood omdat het lokale badkamerhaakje ze niet zo mag, vergat dat het geloof in Paul weliswaar gekte was, maar onschúldige gekte: een uit de hand gelopen grap.

Af en toe hoor je ook in het Westen filosofen zeggen dat we terug moeten naar religie, dat rituelen zo belangrijk zijn, dat we houvast nodig hebben in deze lege tijden, enzovoorts. Steeds als ik zoiets hoor, schud ik verdrietig het hoofd.

Zelf groeide ik op in zo’n streng religieuze omgeving. Ik maakte me er van los, want ik wilde meer vrijheid, meer grapjes. Als ik zulke pleidooien hoor, voel ik me een dissident die over het ijzeren gordijn vluchtte om vervolgens, eindelijk aangekomen in het vrije Westen, te horen hoe vrije denkers het communisme ophemelen.

Zeker, een mens heeft rituelen nodig: goed ontbijten, niet al te laat naar bed en op zaterdag een visje halen. Maar het is geen zwaktebod als je in God noch gebod gelooft, in niks.

Of, nu ja, in niks, ik geloof natuurlijk wel in vrijheid, nieuwsgierigheid, open geesten – en in octopussen. Want soms lijkt het leven even helemaal nergens over te gaan. Soms is na de wedstrijd de pijn gewoon te groot. Maar dan ga ik naar de badkamer, naar de dronken octopus. Die snapt mij als geen ander. En dan praten we over hoe ontroerend absurd, hoe bizar betoverend het bestaan is. Hoe vol sterke verhalen. En als we dan zijn uitgepraat dan zegt hij soms, echt, ik zweer je, „potje vechten?”

    • Arjen van Veelen