Column

De euro voetbalt het best

Nederland wordt Europees kampioen als de doelen hoger en breder worden gemaakt. Tot zover het Nederlands elftal, waarvan de nederlaag niet past in het sterke optreden op Europese kampioenschappen van de landen die tegenwoordig de euro als nationale munt hebben.

Acht van de 17 eurolanden kwalificeerden zich in de voorrondes voor dit toernooi. Van de niet-eurolanden waren het er ook acht, maar op een totaal van 34. De euro rolt beter. Dertien keer is het EK gehouden. De lidstaten van de EU verzamelden twaalf titels; tien daarvan betalen hun voetballers tegenwoordig in klinkende euro. De enige kampioen van buiten de huidige EU is de toenmalige Sovjet-Unie.

Die werd dat in 1960, toen het toernooi voor de eerste keer werd gehouden en weinig voorstelde. Het Spanje van generaal Franco bijvoorbeeld weigerde tegen de communisten van Chroesjtsjov uit te komen. Dat was nog eens een boycot. Vergelijk dat met het Nederland van nu, waar de regering na lang aarzelen besloot dat de minister van Sport een wedstrijd in Oekraïne mocht bezoeken. Scheelde het nog dat de Kunduz-coalitie niets werd gevraagd. Dan had je zo’n halfbakken compromis gehad: minister Schippers woont één helft van de wedstrijd tegen de Denen bij.

Het voetbalsucces van de euro blijkt ook uit de ranglijst over de dertien toernooien samen. De eerste vijf landen daarop luisteren naar de Europese Centrale Bank. Duitsland voert de lijst aan, gevolgd door Nederland, Spanje, Frankrijk en Italië.

Ook dit jaar begon de euro niet slecht. Dat het zwakste euroland, Griekenland, een punt pakte tegen Polen, was meegenomen. Het gebeurde ook nog ondanks de tegenwerking in de eerste helft van de Spaanse scheidsrechter, die in ‘eurotisch’ opzicht schromelijk tekortschoot. Spanje en Italië hielden de punten in de eurozone, Ierland is al blij dat het meedoet en Duitsland speelde zoals het een aanstaande kampioen in zijn eerste wedstrijd betaamt: beroerd en toch winnend. Hou wel die roebel in de gaten.