De euro-president die zelf de staatsgreep belooft

In m’n vakantie heb ik twee boeken gelezen over wegkwijnende ‘wereldrijken’. In Op de tram (Ambo) beschrijft Jorie Horsthuis haar belevenissen als tramconducteur voor een jaar bij het Gemeentevervoerbedrijf (GVB), wereldberoemd in Amsterdam en omstreken. Het andere, van oud-collega Roel Janssen, heet gewoon De euro (De Bezige Bij) en laat zes politici van toen vertellen over hun rol in de creatie van de munt, twintig jaar geleden, en over wat vervolgens misging.

Twee boeken zonder onthullingen, maar op hun eigen manier wel onthullend. Je kunt de Tram lezen als een metafoor voor publieke dienstverlening en de strijd om de publieke ruimte. Daarmee is het ook relevant en herkenbaar voor wie nooit in Amsterdam instapt. De aardigste mensen werken op de tram, maar rancuneuze horken ook. De leiding is onzichtbaar. Op de werkvloer moeten medewerkers maar zien hoe zij de vaart erin houden en tegelijkertijd de toegang controleren en de reizigers helpen.

De twee boeken bleken een gemeenschappelijke deler te hebben: de invoering van een nieuw betaalmiddel. De OV-chipkaart en de euro. Zoals dat gaat met van bovenaf opgelegde revoluties: zij hebben geen vanzelfsprekend kiezersmandaat. De reactie van de reizigers is een mengeling van lijdzaamheid en ongenoegen. Zoals een reiziger tegen conducteur Horsthuis zegt als de apparatuur niet werkt en zij de omslachtige geld-terug procedure heeft verteld: belachelijk dat de reiziger iets moet ondernemen als er een fout zit in júllie systeem. Grote groepen reizigers en burgers delen dat gevoel bij de euro: het is júllie systeem, los het lekker zelf op.

De euro ontbeert een kiezersmandaat en de politieke elite vergroot de kloof verder. Twee voorbeelden. Gisteren begon demissionair minister-president Mark Rutte (VVD) in Eva Jinek op zondag weer over de weeffout bij de invoering van de euro: wel de munt, geen centrale Europese begrotingsautoriteit, laat staan verevening van lusten en lasten. Wie Janssens boek heeft gelezen, weet weer dat het geen weeffout was, geen toevallige misser, geen achteraf geconstateerde verkeerd steekje, maar een bewuste constructiefout. Duitsland en Frankrijk wilden het niet. Zoals het Duits-Franse blok later ook de afspraken over maximale begrotingstekorten om zeep hielp. Zo bezien is Duitsland in eurozaken niet onze ideale bondgenoot.

Tweede voorbeeld. „We moeten de Rubicon oversteken op weg naar een echte economische en monetaire unie”, zo citeerde de Volkskrant vorige week EU-president Herman Van Rompuy. Nu ben ik als niet-geschiedkundige dol op historische parallellen, maar deze is wel heel brutaal. In 49 vóór Christus stak de Romeinse legerleider Julius Caesar de Rubicon over, het grensriviertje met het ‘burgerlijke’ Rome waar de militairen achter moesten blijven. Caesar pleegde door de oversteek van de Rubicon een staatsgreep.

De Rubicon en de weeffout zijn woorden zonder daden. En die daden zullen ook niet komen. De cruciale beslissingen over de euro zijn steeds genomen in tijden van politieke opwinding en economische voorspoed. Dat geldt voor het plan voor de euro zelf, pal na de val de Berlijnse muur (1989), én voor de invoering (1999 giraal, 2002 chartaal). De euro is een euforische munt. In bange tijden moet ‘ie voortdurend ondersteund worden.

    • Menno Tamminga