De Bovenbazen (27)

Op dat moment werd hij Tom Poes gewaar, en enigszins bedremmeld hield hij de pas in.

‘Dag jonge vriend,’ zei hij. ‘Ik hoop dat je niet langer koppig bent. Je ziet nu dat ik mijn aandelen goed gebruik, nietwaar?’

Tom Poes antwoordde niet direct. Hij keek opmerkzaam rond en daar de nevels langzaam optrokken was er al weer aardig wat te zien.

‘Kijk,’ hernam heer Ollie met onzekere stem, ‘nu liggen ook de kevers met de pootjes omhoog. Ze zijn eh… verdelgd, be-bedoel ik. Begrijp je, w-wat ik be-bedoel? Waarom zeg je niets, jonge vriend? Het heeft toch geholpen? Ze zijn dood!’

‘Hm,’ zei Tom Poes. ‘Ja, ik zie het. Alles is dood. Alles.’

Heer Bommel verbleekte en terwijl zijn blikken over het vernietigde landschap gleden, schrompelde hij ineen.

‘Alles is d-dood,’ prevelde hij. ‘De spinnen, de kevers en de planten… Hoe vreselijk is dit alles!’

Nu verscheen er een kleine gedaante over de heuvelrand. Hij duwde een piepend kruiwagentje voort waarop enkele eenvoudige gereedschappen lagen en naderde de beide toeschouwers met driftige pasjes.

‘Heer Pastinakel,’ zei heer Ollie zwakjes, ‘waar g-gaat u naar toe?’

‘Weg!’ zei het mannetje toornig. ‘Ik vertrek naar een andere streek. Hier wordt de natuur naar de verturving geholpen. Dit is de buurt van de dolle kervel en het dodekopskruid.’

‘Maar zozo heb ik het niet be-bedoeld,’ stamelde heer Bommel geheel verslagen.

    • Marten Toonder