Van filmmaker tot 'bijenkoningin'

Romée van der Zee (1947) publiceert in het Journal of Apicultural Research, ze kreeg van het ministerie de afgelopen drie jaar ruim 300.000 euro om haar werk te doen. Ze studeerde psychofysiologie aan de UvA maar werkte in de afgelopen veertig jaar als modern danseres, als ambtenaar ruimtelijke ordening en als experimenteel filmmaker – onder andere. En ze imkerde in de achtertuin. Tot ze tien jaar geleden besloot dat ze wilde weten waarom er zoveel bijenvolken stierven. “Ik beschouw mezelf als een voortdurend autodidact.”

Ik ging naar Tersoal, in het open Friese land tussen Grou en Sneek, omdat ik haar wilde vragen hoe iemand in haar eentje een onderzoeksinstituut kan worden. Maar eigenlijk aarzelt ze, zegt ze. Dat dit stuk alleen maar gaat over een ongebruikelijke levenswandel en niet over de bijen. “Ik zal kort mijn leven vertellen”, besluit ze. Ze vertelt met lage stem, in kalme, heldere zinnen, in de achtertuin vol fluitekruid, bijen en vogels. “Ik ben gevoelig voor wat er op mijn weg komt. Als ik een probleem zie, denk ik: hoe kunnen we dit oplossen?”

De korte versie van haar verhaal is dat Romée van der Zee bijenonderzoeker is geworden doordat ze bijen hield. Uit liefhebberij begon ze in de jaren negentig een mailinglijst en een webforum voor andere imkers. Toen in 2000 de eerste berichten over bijensterfte bovendreven, begon ze op dat forum een kleine enquête. Het project werd steeds groter, en twaalf jaar later is het een onderzoek met overheidssubsidie, een eigen instituut en wetenschappelijke publicaties.

Maar er is ook een langer verhaal. “Ik heb een balletopleiding gehad, bij Nel Roos. Het waren de woelige jaren zestig.” Van der Zee deed moderne dans, bij dansgroep Pauline de Groot. Ze ontmoette er haar vrouw en ging samenwonen. En toen nam haar carrière al een wending die leek op de manier waarop ze later in de bijen belandde.

“We verdienden als dansers allebei maar 175 gulden in de maand. We woonden in de Tweede Oosterparkstraat in Amsterdam en de boel verkrotte daar. Dus ik stapte naar de afdeling bouw- en woningtoezicht.” Ze sprak een architect en de wethouder die ze beiden via via kende. Uiteindelijk kwam er nieuwbouw – voor, en met inbreng van de bewoners. Zo kreeg ze een baan aangeboden bij de gemeentelijke dienst volkshuisvesting. Ze nam hem aan – intussen was de dansgroep toch uiteengevallen.

“Maar het was niet mijn roeping om volkshuisvesting te doen. Ik kwam de eerste weken niet opdagen, want ik was in die wijken, in gesprek met bewoners. Er kwam na twee jaar een eind aan. Ik ben niet geschikt om op kantoor te zitten en ook niet om onder iemands leiding te werken. Dan krijg ik ademnood. Het risico van onenigheid is bij mij groter dan bij de gemiddelde Nederlander.”

Van der Zee had intussen in Amsterdam ook psychofysiologie gestudeerd – tegenwoordig heet het neurowetenschap – maar ambieerde er geen carrière in. Het werk met proefdieren was haar zwaar gevallen. Wekenlang had ze het gedrag van twee woestijnratjes bestudeerd. Daardoor waren ze formeel onbruikbaar geworden voor verder onderzoek, had de dierverzorger uitgelegd. “Hij sloeg ze zó dood, geoefend, tegen de rand van een fonteintje.” Ze werd vegetariër.

Ze ging experimentele films maken, bij filmer en beeldend kunstenaar Frans Zwartjes, want “er moest iets uitkomen waar ik geen taal voor had”. Intussen verdiende ze geld door in Amsterdam een voormalig pakhuis te kopen. Ze liet het verbouwen tot woonruimte en verkocht het pakhuis met flinke winst. Ze kochten van de opbrengst van het pakhuis een daglonerswoning bij het Groningse dorp Sauwerd om er, samen met hun inmiddels geboren zoontje, te gaan wonen. “En een maand later kreeg ik van mijn zwager mijn eerste bijenvolk, in 1977.”

Sindsdien is ze nooit ver van de bijen vandaan geweest. In 1985 wilde ze een film maken over de varroamijt, die bijenlarven parasiteert. Voor de film interviewde ze Europese bijenonderzoekers. De film ging niet door na onenigheid over de financiering. “Maar ik had wel de buitenlandse wetenschappers ontmoet die onderzoek naar bijen deden.”

Ze besloot hen uit te nodigen voor een lezingenserie over de mijt. Omdat ze tijdens haar universitaire studie had leren programmeren, maakte ze later voor de bijengemeenschap ook een mailinglijst.

Ze verklaart haar liefde voor bijen met een verhaal uit haar kindertijd. Ze heeft het vaker verteld, het klinkt als een sprookje. Hoe ze, als kind van een jaar of zes in Hilversum, groene bijenkasten vond op de hei. “Ik vond het hartstikke spannend, maar was ook bang.”

Ze vertelt hoe ze er steeds ging kijken. Dat, vlak in de buurt, jongens een gat in de grond hadden gegraven met een hut erin. Dat ze erin wilde met een vriendinnetje. En dat de jongens, toen zij in dat hol zaten, de ladder wegtrokken. “We begonnen te huilen. Op een gegeven moment hoorden we een mannenstem. Toen kwam er een hoofd in een cirkel van daglicht, met een doek over zijn schouders, die me optilde.” En dan, plechtig: “Het was de imker en hij rook naar vuur.”

“Daar ontstond mijn gevoel van: bijen horen erbij. Het geluid roept angst op, hun kalme beweging iets geruststellends. Bijen passen heel goed in mijn binnenwereld.”