Tegen helpen strengere examens niet onbevoegde leraren

Strengere eisen voor centrale eindexamens is een maatregel uit verlegenheid nu leraren slechter zijn opgeleid, schrijft Jan Drentje.

De centrale eindexamens zitten er weer op. Scholieren wachten gespannen op de uitslag. Naar het zich laat aanzien zullen meer leerlingen zakken als gevolg van de nieuwe eis dat de cijfers voor het centaal schriftelijk eindexamen gemiddeld voldoende moeten zijn – onafhankelijk van de cijfers voor het schoolexamen. Hiermee wint het gewicht van de centrale examens – en dat is ook de bedoeling van de minister die de strijd aanbindt met de vermaledijde zesjescultuur.

Aanscherpen van de exameneisen moet een trendbreuk veroorzaken. De afgelopen jaren dalen de gemiddelde examencijfers voor onder andere het VWO. Bovendien blijkt uit onderzoek dat het kennisniveau van leerlingen op het gebied van rekenen en taal na een paar jaar voortgezet onderwijs daalt ten opzichte van de prestaties in groep acht van de Basisschool. Pardoes voerde de minister een eindexamen rekenen in.

Bij deze strijd tegen daling van het onderwijsniveau is de veronderstelling dat het niveau vroeger beter was. Hoeveel vroeger wordt meestal niet gespecificeerd. In de tijd dat ikzelf eindexamen deed bestond er ook al een centraal schriftelijk. Maar daar werd door de meeste leraren niet al te veel waarde aan gehecht. Ze gingen er van uit dat hun eigen onderwijs en examens hiervoor beslist niet onder deden. Mijn geschiedenisleraar behandelde de twee verplichte thema’s nauwelijks: we werden geacht de stof zelf gemakkelijk aan te kunnen. De gemiddelde cijfers van het centraal schriftelijk lagen vaak hoger dan die van de schoolexamens. Tegenwoordig is dit omgekeerd.

De inspectie maakt zich bij veel scholen zorgen over het feit dat centrale examens structureel meer dan een halve punt lager uitkomen. Een van de gevolgen van deze nadruk op de centrale examens is dat het onderwijs steeds meer op de examenstof wordt afgestemd. En dat de selectiedruk toeneemt bij de overgang naar de examenklassen. Scholen kunnen zich geen zesjes meer permitteren, zeker niet als ze ernaar streven om als excellent te worden aangemerkt.

Naar de oorzaken van de daling van gemiddelde cijfers is vrijwel geen onderzoek gedaan. Zijn leerlingen van nu luier dan voorheen? Die klacht is van alle tijden. Is het ambitieniveau te laag? Zou kunnen. Onderwijs moet tegenwoordig vooral leuk zijn. En de eindexamens zijn beslist niet leuk. Afgezien van het feit dat veel opgaven beroerd zijn geformuleerd, bevatten examens vooral complexe puzzels die een groot beroep doen op taalvaardigheid. Terwijl lezen in het onderwijs bepaald niet meer wordt aangemoedigd. De eisen bij Nederlands voor literatuur zijn aanzienlijk naar beneden bijgesteld. Twaalf werkjes is al genoeg – waarvan meestal een aantal al klassikaal is behandeld. De teksten op het eindexamen zijn op ‘NRC-niveau’ – terwijl er nauwelijks nog kranten worden gelezen.

Ook examens in de exacte vakken zijn tegenwoordig erg talig wat in het nadeel is van echte bèta’s. Op het VWO is een tweede moderne vreemde taal verplicht gesteld. In mijn tijd konden bèta’s volstaan met Engels – daar zag niemand een probleem. Gelukkig kan er voor die tweede taal ontheffing worden aangevraagd. Dat kan niet bij de voor alfa’s verplicht gestelde wiskunde. Nergens voor nodig als je Frans, Chinees of geschiedenis wilt gaan studeren. De opgeschroefde exameneisen doen minder dan in mijn tijd – toen het niveau beter was! – recht aan de verschillen in aanleg en interesses van leerlingen.

Krijgen de leerlingen van nu goed onderwijs? Dat is de vraag. Het aantal onbevoegde leraren in de bovenbouw is de afgelopen jaren even sterk gestegen als het aantal academisch geschoolden is gedaald. Belangrijk verschil met ‘vroeger’ is dat in de onderbouw van veel scholen nauwelijks nog les wordt gegeven door eerstegraders. De eerste jaren worden veelal verzorgd door aardige, enthousiaste tweedegraders, van het HBO – waar weinig aan vakkennis wordt gedaan. Ook daar moeten centrale examens de homeopathische verdunning van de vakinhoud tegengaan.

Op het VWO krijgen leerlingen dus les van leraren die zelf het VWO-niveau niet aankonden. Die zelf moeite zouden hebben met de eindexamens. In mijn tijd gaven eerstegraders les aan zowel de beneden- als de bovenbouw. Hierdoor ontstond een inhoudelijk verband tussen de lagere en de hogere klassen. De eisen voor de onderbouw liggen nu vast in vage kerndoelen die in de plaats zijn gekomen voor de mislukte basisvorming. De daling van de niveaus voor taal en rekenen na de basisschool is te wijten aan de programma’s in de onderbouw. Het instellen van een eindexamen rekenen is daarom een absurde maatregel. Basisstof moet getoetst worden in de onderbouw. Maar: de onderbouw op niveau brengen kan alleen met excellente leraren. Op het VWO kan dat als de leraren overwegend eerstegraads bevoegd zijn en zelf het gehele lesprogramma overzien en beheersen.

De aanscherping van de eisen voor de centrale eindexamens is daarom een maatregel uit verlegenheid. Het gemiddelde opleidingsniveau van het docentencorps is gedaald, de inhoudelijke ijking van vakken in de onderbouw is verwaterd en de leerlingen moet bloeden op het centrale eindexamen. Vroeger was het inderdaad beter.

Jan Drentje is historicus aan de Rijksuniversiteit van Groningen.

    • Jan Drentje