opinie

    • Paul Schnabel

Streng, maar rechtvaardig

Judith Raven – Popular Support for Welfare State Reforms - 187 blz. Erasmus Universiteit Rotterdam, 22 maart 2012. Promotores: Prof.dr.R.J. van der Veen, dr.P.H.J. Achterberg

Na zo’n vijftig jaar in gebruik te zijn geweest, is het begrip ‘verzorgingsstaat’ duidelijk op zijn retour. In 1962 promoveerde Piet Thoenes op De elite in de verzorgingsstaat en daarmee vond deze betere vertaling van het Engelse ‘welfare state’ ingang in het Nederlandse spraakgebruik. ‘Welfare’ heeft weinig te maken met welvaart, eerder met welzijn en vooral met zorg van de overheid voor het welzijn voor wie daar niet goed zelf voor kan zorgen. De verzorgingsstaat omvat meer dan alleen sociale zekerheid, het gaat ook om onderwijs, gezondheidszorg, maatschappelijk werk, volkshuisvesting en eigenlijk alles wat de overheid doet om de burgers een goed persoonlijk bestaan te bezorgen.

De Nederlandse verzorgingsstaat is tussen 1950 en 1970 geleidelijk tot stand gekomen. Daarna is er niet heel veel meer aan toegevoegd, al namen de kosten ervan wel zo snel toe, dat vanaf 1980 het beleid er op gericht is geweest de kosten van en de rechten op ‘verzorging’ te beperken. Nog wel van de wieg tot het graf, maar het dekentje werd geleidelijk dunner. De aandacht gaat inmiddels weer vooral uit naar de sociale zekerheid en dat betekent tegenwoordig dus vooral minder sociale zekerheid.

Het wetsvoorstel ‘Werken naar Vermogen’ van demissionair staatssecretaris Paul de Krom zou de duur en de hoogte van bijna alle uitkeringen sterk gaan beperken. Het ontwerp is controversieel verklaard, maar in enigerlei vorm zal de wet er toch wel komen. Deze week werd bekend dat zelfs de Socialistische Partij, bij uitstek gericht op het behoud van de sociale zekerheid, een verhoging van de AOW-leeftijd niet langer uitsluit.

Toch is de AOW nog altijd de kroon op het systeem van sociale zekerheid. Iedereen die vanaf zijn vijftiende vijftig jaar in Nederland heeft gewoond , heeft recht op dezelfde uitkering (ongeveer 1000 euro voor een alleenstaande). Dat geld wordt opgebracht door iedereen die nu werkt. Nederlanders hechten vooral aan het AOW-systeem omdat het rust geeft in de levens van hun ouders en grootouders, terwijl er bijna geen misbruik van gemaakt kan worden. Je bent 65 of je bent het niet.

Voorzieningen waar de kans op misbruik of oneigenlijk en onverdiend gebruik groter wordt geacht (de bijstand, de WAO, de WW) hebben altijd minder draagvlak onder de bevolking gehad. Toch is de steun voor de verzorgingsstaat in Nederland nooit verflauwd en zelfs eerder toe- dan afgenomen. Judith Raven constateert dat ook in haar proefschrift, maar verbaast zich er over dat zo weinig onderzoekers de paradox is opgevallen van meer steun voor steeds minder sociale zekerheid. Zijn de burgers het eens met een beperking van de verzorgingsarrangementen? Wat vinden zij dan een juiste en rechtvaardige verdeling van de middelen? Wie mag er wel en niet van profiteren?

Het antwoord op deze vragen zoekt Judith Raven in een secundaire statistische analyse van surveys, zoals die door het Sociaal en Cultureel Planbureau of het Centraal Bureau voor de Statistiek worden uitgevoerd. Het gaat ten dele om onderzoek waarin over een lange reeks van jaren steeds dezelfde vragen worden gesteld. Zo kunnen de opvattingen van de Nederlanders en de veranderingen daarin door de tijd gevolgd worden. De onderzoekster stopt met haar analyses in 2006. Dat is jammer, omdat enkele van de belangrijkste veranderingen in de sociale zekerheid in de jaren daarna hebben plaatsgevonden. In 2006 was een verhoging van de AOW-leeftijd nog een politiek onhaalbare zaak.

Hoewel niet veel mensen echt weten hoe de sociale zekerheid in elkaar zit, wil men in het algemeen dat de regels streng worden toegepast. Het geld moet terecht komen bij wie het zonder eigen toedoen echt nodig heeft. Wie kan werken, moet dat ook doen. Tegenover een uitkering kunnen ook verplichtingen staan, zoals ijverig op zoek naar werk gaan, deelnemen aan een (werk)reïntegratieproject of de handen uit de mouwen steken voor de gemeenschap. Dat geldt uiteraard niet voor ouderen, ernstig gehandicapten of alleenstaande moeders met de zorg voor kleine kinderen.

Het zal niet verbazen dat men gemiddeld ook sympathieker staat tegenover een uitkering voor mensen met wier moeilijke situatie men zich gemakkelijker kan identificeren. De Roma-familie die onlangs in het nieuws kwam omdat men de gemeente op hoge hotelkosten had gejaagd zonder serieus mee te werken aan een huisvestingsplan, hoeft niet op veel begrip te rekenen.

Wat het onderzoek van Judith Raven ook mooi laat zien is hoe in een democratie op een gevoelig onderwerp als sociale zekerheid voortdurend naar een balans tussen draagvlak bij de bevolking en beleid van de overheid wordt gezocht. Het is natuurlijk de vraag of dat zo blijft, juist in een tijd dat bij minder middelen de vraag naar sociale zekerheid toeneemt.

    • Paul Schnabel