Recept voor dwaling in strafzaken krijgt contouren

En weer is het zover. Een grote strafzaak lijkt achteraf gebaseerd op valse bekentenissen, zwak bewijs, slecht politie-onderzoek en een mogelijk bewust eenzijdig samengesteld dossier. De Hoge Raad moet nog over de herziening in de zaak van de Chinese restaurantmoord uit 1993 beslissen. Maar advocaat-generaal Diederik Aben leverde maandag een verzoekschrift in, dat vrij beslist van toon is. Dit rammelde aan alle kanten.

Net als bij eerdere dwalingen in zaak rond de Schiedammer parkmoord en de zaak Ina Post is aannemelijk dat ook deze zaak rustte op kunstmatige bekentenissen, verkregen na urenlange verhoren van labiele personen. Het betrof hier 18-jarige vrouwen, die uiteindelijk ‘inschikkelijk en meegaand’ werden jegens de rechercheurs. Maanden zaten ze opgesloten ‘in beperking’ – alleen hun advocaat mocht op bezoek komen. Hun verklaringen waren daarna inconsistent en zo tegenstrijdig dat onduidelijk was of zij een rol in de roofmoord hadden en zo ja welke. Mogelijk vertelden ze in eigen woorden na wat ze uit de politievragen opstaken, aangevuld met wat ze zelf waren gaan geloven. Om er ‘van af’ te zijn, om ‘weer naar huis te mogen’, zoals voorgespiegeld. Maar het is evenzeer mogelijk dat ze een afgesproken daderversie niet volhielden en schuld trachtten af te schuiven op de drie mannen. Dat is gelukt – de vrouwen kregen de lichtste straffen, de mannen de zwaarste. Ook lijkt er ontlastend bewijs uit het dossier weg te zijn gehouden, een grove fout van de vervolging.

De rechtspraak moet de zaak van ‘de zes van Breda’ die tot tien jaar straf opgelegd kregen, nu opnieuw bekijken. Als de Hoge Raad herziening beveelt dan wacht er een schadevergoeding waarbij het bedrag dat Lucia de Berk voor zes jaar cel incasseerde nog zal verbleken. Voor de strafrechtspraak rest reputatieschade en vertrouwensverlies. Een adembenemende puinhoop dus.

Uiteraard moet dit allemaal nog gebeuren. Dus ik blijf nog maar even dicht bij de feiten. Wat valt er nu al te zeggen? De wetenschappers die deze dwaling aanbrachten konden destijds alleen met de grootste moeite het strafdossier in deze afgesloten strafzaak bemachtigen. Het Openbaar Ministerie weigerde namelijk medewerking op basis van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens (WJSG). Die wet beschermt privacy van daders nadat ze hun straf uitzaten. Met een reële wens om een zaak te heropenen is geen rekening gehouden. En zonder toegang tot het gesloten dossier is ieder herzieningsverzoek onmogelijk. De begeleider van het onderzoek, rechtspsycholoog Peter van Koppen, heeft uiteindelijk de 2000 pagina’s in handen gekregen. Maar dat was een gunst, geen recht.

In 2008 publiceerde zijn onderzoeksgroep het boek De dood in het Chinese restaurant (Eline Havinga e.a. Boom/Lemma). Daarin werd al duidelijk dat dit vonnis het resultaat van blindstaren op een paar ‘geschikte’ verdachten was. De onderzoekers toonden nog twee andere manieren aan waarop de roofmoord gepleegd kon worden. Van Koppen, die het onderzoek met criminoloog Han Nelen leidde, vraagt al jaren om meer ruimte voor alternatieve scenario’s. Zowel in het gerechtelijk vooronderzoek als op de zitting, liefst tot in de raadkamer aan toe. Strafrechters moeten de bewijsmiddelen niet alleen toetsen aan de presentatie van het OM, maar ook open blijven staan voor alternatieve mogelijkheden. Alleen zo kun je de eigen groeiende overtuiging de baas en het bewijs ècht wegen. De neiging om in groepsverband hetzelfde te gaan denken vermindert zo. Voor Van Koppen leidden de typisch juridische vragen van rechters maar af van de hoofdvraag. Of het bewijs betrouwbaar is vindt hij belangrijker dan of het rechtmatig is verkregen.

Verder is het natuurlijk maf dat zo’n zaak pas gaat rollen als een ambitieuze vakgroep er z’n dure budget aan wil besteden. Deze maand stemt de senaat waarschijnlijk over een wet die dit oplost. Het wordt dan met gesubsidieerde rechtsbijstand mogelijk om aan een commissie met onafhankelijke wetenschappers (ook niet-juristen) te vragen of er grond is voor herziening. Dat oordeel gaat als advies naar het parket bij de Hoge Raad. Als criterium geldt voortaan dat er een nieuw ‘gegeven’ moet zijn gevonden dat een ‘ernstig vermoeden’ oplevert van een andere rechterlijke uitspraak dan gegeven. Dat ‘gegeven’ mag ook een nieuw deskundigeninzicht zijn, eventueel in de vorm van een boek of tv-programma. En het mag ook slaan op bewijsmateriaal dat de rechter al eerder zag, maar waarvan de reikwijdte onduidelijk was. Daarmee hebben wetenschappers als Van Koppen, maar ook misdaadprogramma’s als ‘Peter R. de Vries’ een eigen toegangsdeurtje tot het justitiebastion gekregen. En daarmee terechte erkenning.

Folkert Jensma

Debat op nrc.nl/rechtenbestuur Twitter @folkertjensma

    • Folkert Jensma