Met een rustige gids op reis door gigantisch heelal

Oerknal, Ed van den Heuvel; Uitgeverij Veen, Diemen; 258 pagina’s, prijs € 42,50

‘De ruimte is groot. Echt gigantisch groot. Je kunt je gewoonweg niet voorstellen hoe duizelingwekkend groot de ruimte is. Ik bedoel, je denkt misschien dat de drogist aan het einde van de straat al ver weg is, maar dat is peanuts in vergelijking met de ruimte.’

Met dat citaat van de Engelse schrijver Douglas Adams opent het het derde hoofdstuk van Oerknal. Het hoofdstuk behandelt de vraag: hoe ver weg staan de sterren? De bekende sterrenkundige Ed van den Heuvel laat erin zien hoe astronomen langzaamaan ontdekten: echt gigantisch ver weg.

Daarna beschrijft Van den Heuvel óók hoe astronomen ontdekten dat er veel meer sterren zijn dan de ruwweg vijfduizend die je op een donkere nacht met het blote oog kan ontwaren. Hoe ze zelfs ontdekten dat er veel meer sterrenstelsels zijn dan die ene, het Melkwegstelsel, waarin onze zon zich beweegt...

Oerknal is daarmee een lange reis, die begint in de achtertuin van de aarde, het zonnestelsel, en die voert naar de verste uithoeken van het heelal.

Het hele fijne aan die reis is de gids: Van den Heuvel jaagt zijn reisgenoten niet op, maar blijft ook niet stilstaan bij nodeloze details. Hij negeert zijpaadjes die de reis te vermoeiend zouden maken en hij verdwaalt nergens. Je voelt: hij heeft de plattegrond in zijn hoofd. Zijn verzorgde zinnen, zonder opsmuk, zijn te vertrouwen – de formuleringen kloppen.

Van den Heuvel is ook een rustige gids. Hij probeert de lezer niet te imponeren met kennis, te overtuigen met superlatieven of te vermaken met uitgesponnen anekdotes over ruziënde wetenschappers. De lezer proeft vooral verbazing.

Soms spreekt die uit terloopse feitjes. “Zou je alle lucht van onze atmosfeer zo ver afkoelen dat zij vloeibaar wordt, dan houd je een laagje vloeistof over van slechts 11,5 meter dik – niet hoger dan de nok van het dak van een huis”, schrijft hij bijvoorbeeld. In krap een alinea kantelt zo het beeld: iedereen stort zijn uitlaatgassen dus in dát fragiele laagje uit.

Het is niet verbazend dat een gids als Van den Heuvel onderweg van wetenschappers geen supersterren maakt. Hij beschrijft ze met een relativerend pennetje. Zo stelt hij in enkele alinea’s het beeld bij van de Russische Alexander Friedmann, die de onder kosmologen befaamde vergelijkingen voor de evolutie van het heelal afleidde. In plaats van een tragisch, zachtmoedig en te jong aan tyfus overleden genie, was Friedmann allereerst een wetenschappelijke duizendpoot, een geniale instituutsdirecteur én een luchtmachtpiloot die voor de tsaar succesvolle strategieën voor luchtbombardementen ontwikkelde, lezen we bij Van den Heuvel.

In drie laconieke zinnen leren we verder dat de voorspelling door de Franse filosoof Auguste Comte, die in 1835 schreef dat mensen nooit de samenstelling van sterren zouden kunnen doorgronden, al na een kwart eeuw werd weerlegd.

Voor de resultaten van de wetenschap, hoe grillig die soms ook tot stand komen, heeft Van den Heuvel ontzag. En eigenlijk zit de mengeling van verbazing én ontzag al in zijn allereerste zin. “Dit boek is het resultaat van het wonderbaarlijke feit dat wij als mensen, met slechts anderhalve liter hersencellen, op een kleine planeet in een uithoek van het heelal in staat zijn gebleken heel veel van de bouw en ontwikkeling van het heelal te ontdekken en begrijpen.”

De oerknal, zo wil Van den Heuvel met de reis bewijzen, ligt ten grondslag aan dat heelal waarin overal dezelfde wetten van de natuur- en scheikunde gelden.

Is deze reis voor iedereen geschikt? Wie slechts heel globaal wil weten waar in het heelal hij zich bevindt, kan beter een kortere trip kiezen: het college van Robbert Dijkgraaf bij DWDD University bijvoorbeeld. Maar wie van de gids wil horen hoe de plattegrond van de kosmos tot stand kwam, wie zich wil verdiepen in de geschiedenis van het landschap, en wie de tijd heeft om van vergezichten te genieten, die leze dit boek.

Margriet van der Heijden

    • Margriet van der Heijden