Mens, durf te dromen

schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: fantasie.

Het rustieke plattelandshuis is gemaakt van gestapelde rivierstenen, heeft rode dakpannen en een moderne, houten schuifpui. De inrichting is minimalistisch: betonnen aanrecht, witte muren, strak opgemaakte bedden met krakend vers beddengoed. In de tuin, die uitkijkt over heuvels met citroenbomen, is een zwemvijver. „Kijk, zo’n huisje bedoel ik”, zegt mijn huidige verkering die mij plaatjes op internet laat zien. „Dat zou een mooi plekje voor ons zijn.”

Ik zou nu moeten zeggen: „Oh ja! Ik zie het helemaal voor me: op het terras drinken we onze zelfgemaakte limoncello en ’s nachts zwemmen we naakt in het maanlicht.” Maar ik denk: „Van welk geld dan? En wat als het misgaat tussen ons? Ik ben al co-eigenaar van een voormalig liefdeshuis.”

„Weet je wat het met jou is?”, zegt mijn huidige verkering die gedachten lezen kan, „Jij kunt niet dromen.”

Het is waar. Om te dromen heb je fantasie nodig. En de wildste fantasie die ik mezelf, af en toe, toesta is ooit een gezonde ezel te bezitten. Maar dan bedenk ik vrijwel onmiddellijk dat in Amsterdam alleen de villa’s aan de Amstel ruimte hebben voor een stalletje in de tuin, en dan haak ik al weer af, want die huizen beginnen vanaf een miljoen en het moet natuurlijk wel een beetje realistisch blijven. „Mens, durf te dromen”, zegt mijn huidige verkering. Hij kan maar niet geloven dat een knappe en slimme vrouw (zijn woorden) geen grotere dromen koestert. „Wie weet wie of wat er nog op je pad komt.”

Zelf droomt hij ervan ooit de eigenaar te zijn van het Desert House in Palm Springs, ontworpen door Richard Neutra. In dit glazen schuifpuiparadijs zal hij zich alleen zorgen hoeven te maken over de juiste temperatuur van het zwembadwater en zijn gin-tonic. Als een trotse eigenaar laat hij me foto’s zien en ik denk alleen maar: „Wat moet je met vijf badkamers?”

Mijn verkering heeft wel een verklaring voor het feit dat ik niet dromen kan: in mijn jeugd heb ik te weinig films gezien die een beroep op de fantasie doen. En om iets te doen aan mijn chronische fantasietekort, stopt hij die avond Alien in de dvd-speler, een sciencefiction/horrorfilm van Ridley Scott uit 1979, het jaar waarin ik 11 werd. „In space no one can hear you scream”, zegt hij en klopt de kussens van het bed op. Ik kan zien dat hij zich verheugt op het moment dat ik radeloos van angst in hem weg zal kruipen. Goed, vijf minuten later lag ik dus vredig in zijn armen te slapen. Kwaadaardige buitenaardse wezens doen mij niks.

Maar het is niet waar dat ik helemaal geen fantasie heb. Moet je me eens meemaken als mijn oudste dochter om half vier ’s nachts nog niet terug is van een feestje, of als voor het rode verkeerslicht – naast een kind op de fiets – een vrachtwagen staat met zijn rechter knipperlicht aan, of als ik in huis iets verbrands ruik.

Maar armoeiig is het zeker, als je wel kunt fantaseren over wat er elke dag kan misgaan, en niet over wat er wellicht nog voor moois te wachten staat. Daarom heb ik besloten mijzelf aan te pakken. Morgen koop ik een staatslot. Van mezelf mag ik niet hopen op die prijs waarbij je de rest van je leven elke maand tienduizend euro krijgt uitgekeerd. Ik zou er weliswaar al enorm mee geholpen zijn, maar volgens mijn verkering is dat een prijs voor bange, fantasieloze mensen. Ik ga dus voor de jackpot van 16 miljoen. En dan koop ik, onder andere, dat rustieke plattelandshuis tussen de citroenbomen.

(Wordt met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet vervolgd.)

    • Monique Snoeijen