Kasteelheer op klompen

Een eigen landgoed, met slotgracht en wijngaard. Het is mogelijk, ook voor wie geen miljonair is.

Rondom het huis van Frans en Mia de Laat in Heesch, net onder Oss in Noord-Brabant, slingeren de wandelpaden over hun landgoed. Water kabbelt door de waterlopen. De kauwen die in de linde en platanen voor het huis wonen, schieten brutaal heen en weer.

Het landgoed ligt er zo mooi bij, dat regelmatig een schildergroepje tussen het struweel neerstrijkt, of bruidsparen er hun trouwreportage laten fotograferen. Maar eer het zover was, daar kunnen ze een boek over schrijven. „Het is prachtig als je zo’n gelegenheid krijgt”, zeggen ze bescheiden. „Met weinig middelen maar met toewijding en door veel zelf te doen, kun je veel bereiken. Wie geld heeft, kan het allemaal láten doen, maar dan vlieg je makkelijker weer weg. Dit is anders.”

Het landgoed De Berkt omvat elf hectare grond rond een hoog huis met souterrain – oorspronkelijk een boerderij met graan- en veeschuren. Frans de Laat werd hier geboren. Zijn ouders en grootouders pachtten huis en land tientallen jaren van de baron die ook kasteel Heeswijck bezat. Hun boerderij was tevens herberg, met in de kelder een bakkerij en in de voorkamer een café. In 1966, bij een openbare verkoping, kocht de familie het verwaarloosde huis voor 33.000 gulden. En dat voor vierhonderd vierkante meter woonruimte, twee hectare tuinen, tweeënhalve hectare bos en 6,5 hectare landbouwgrond.

Toen de ouders van Frans waren overleden, werden hij en Mia de eigenaren van het inmiddels kapitale onroerend goed. In 1998 vertrokken ze met hun drie zonen uit Bussum om het landgoed te betrekken.

Van alleen hun salaris – Frans was automatiseringsprojectmanager bij Nestlé – hadden ze De Berkt nooit kunnen herstellen. Maar Frans en Mia ontdekten de wegen naar uiteenlopende regelingen, zoals de Natuurschoonwet die eigenaren van grotere stukken grond belastingvoordeel biedt. Mede door daarvan gebruik te maken, kon het landgoed hersteld worden en het huis in de familie blijven.

Niet alleen het herstel, ook het reguliere gebruik en onderhoud van zo’n groot huis is een kostbare aangelegenheid. Hoe houden ze het betaalbaar? Het antwoord begint met een loopje naar het souterrain. Daar staat een elegante, zwarte, gietijzeren haard te branden. „We hebben lage energiekosten. Onze centrale verwarming werkt via deze moederhaard. Die stookt op hout dat ons eigen land volop levert. We hebben hout op voorraad, vooral van de houtwallen. Ook het kappen doen we zelf, anders wordt het te duur.”

Luidklokje

Het huis staat sinds in 1974 op de rijksmonumentenlijst als ‘adellijk huis uit de zestiende eeuw met souterrain, bel-etage en verdieping, gedekt door een pannen schilddak met daarop een luidklokje uit 1754’. Frans en Mia schreven in 1996 een herstelplan voor het achterstallig onderhoud aan de gebouwen en het terrein. Voor het terugbrengen van de oorspronkelijke tuinen, de vijvers en de met beukenhagen omgeven boomgaarden, en voor het herstel van het vroegere sterrenbos kregen ze een ‘groenverklaring’ van het Nationaal Groenfonds, die hun toegang gaf tot gunstige leningen. Uit andere potten, van de provincie en particulieren, betaalden ze de investeringen in natuurlijk waterbeheer en het uitgraven van de oude slotgrachten, vijvers en poelen. Verschraalde graslandjes werden bloemrijker. Daar grepen dassen onverwacht hun kans en bouwden er hun burchten.

Eén van de voorwaarden die de Natuurschoonwet stelt, is dat het landgoed open staat voor het publiek. Dus kwamen er wandelpaden die later zijn opgenomen in het padennetwerk van de gemeente Bernheze. Het huis en de tuinen eromheen kan de familie voor zichzelf houden.

Stap voor stap voerde de familie De Laat alle plannen uit. Aan de achterkant van het landhuis kwam een nieuwe vleugel. „De publieke openstelling bezorgde ons een goede naam bij de gemeente. Dat pakte gunstig uit bij de toestemming voor de uitbreiding.” Frans bouwde eigenhandig de nieuwe ruimtes af, timmerde, stukadoorde, schilderde.

De aanbouw biedt veel licht en zicht over de achtertuin, de boomgaard en het bos waar reeën en vossen ’s nachts langs poelen zwerven. Leden van de natuurorganisatie IVN werkten enthousiast mee bij de aanplant van bomen en bosplantsoenen. Zij komen nog steeds enkele zaterdagochtenden per jaar snoeien en opruimen. Vrienden uit de Randstad logeren soms een paar nachten en werken mee. De zoons en hun gezinnen helpen waar nodig.

„Zelf houden we het huis schoon”, zegt Mia. „En bijna al ons eten komt uit onze biologische moestuin. In de zomer hebben we veel bessen en aardbeien. Jams, gelei, sappen en taarten maak ik zelf.”

De ambitie van een uitgebreide fruitboomgaard viel in het water, veel bomen sloegen niet goed aan. Mia: „We hebben wel wat peren en appels, oude rassen zoals Brabantse bellefleur, maar ik droomde van kersen en pruimen.”

Frans begon in 2004 een wijngaard en werd lid van het Nederlands Wijngilde, de Brabantse Wijnbouwers en van Wijngaardeniers Nederland. „Een hobby”, zegt hij verontschuldigend, want hij weet dat er al genoeg werk te doen is op De Berkt. Vijf jaar geleden kon worden geproost op de eerste eigen wijn. De ongeveer 250 wijnstokken leveren 250 liter wijn per jaar. „Soms goed, soms minder, er is geen jaar hetzelfde.”