'Ik ben een vat vol vooroordelen'

Schrijver/vinexvrouw Naima El Bezaz luncht in een grand café in Amsterdam en vertelt over moderne zeden en ouderwetse hypocrisie. ‘Ik heb geen schil.’

Naima El Bezaz (38) veert op zodra ze me ziet. Ze herkent me, ook al zag ze me nooit eerder. Van tevoren heeft ze mijn naam gegoogeld, zegt ze. Ze weet waar ik vandaan kom, op welke school ik zat en wie mijn vrienden zijn. En dus denkt ze te weten wie ik ben. Ze schudt mijn hand en zegt: „Jij bent bevoorrecht.”

Zij niet, zegt ze. „Ik ben jouw tegenpool.” Zij is de oudste dochter van een Marokkaanse fabrieksarbeider. Zij is opgegroeid in een flatje in Alphen aan den Rijn met twee jongere broertjes en twee zusjes, zij zat op een provinciaalse scholengemeenschap, zij is allochtoon, zij heeft krullen die ze met een stijltang steil moet maken.

Ze zit met Josje Kraamer, haar vaste redacteur bij uitgeverij Querido aan een klein tafeltje in café Luxembourg in Amsterdam. Taart en koffie om haar zesde boek te vieren. Meer Vinexvrouwen ligt nu in de winkel, het is een vervolg op haar bestseller Vinexvrouwen, waarin ze schrijft over haar leven in een nieuwbouwwijk in Zaandam. Daar werden er ruim 60.000 van verkocht.

„Wat vind je van mijn boek,” vraagt ze. Ik sta nog met mijn jas aan, aarzelend of ik nou zomaar bij hen kan gaan zitten of niet. „Vond je het grappig”, dringt ze aan. „Heb je gelachen?” In haar bruine ogen ligt verwachting, maar ook vrees. Ik zeg dat ik het met plezier aan het lezen ben. Daar neemt ze geen genoegen mee. „Dus je vindt het niet goed?” Ik besluit iets te zeggen wat kritisch genoeg klinkt, maar niet kwetsend is: „Het is geen roman.”

Ze ontspant, leunt achterover. Klopt, zegt ze. „Het is een zedenschets.” Het zijn korte scènes. Genadeloos opgetekende stukjes leven in een vinexwijk. Over haar buurvrouw die open en bloot naakt ligt te zonnen, de gastvrouw op een feestje die haar vraagt het aantal gasten te tellen, opdat ze een gelijk aantal plakjes leverworst af kan snijden, de echtparen die op buurtpartijtjes met andermans partner de wc in duiken, over de ruilhandel in valium- en slaappillen.

Als ze haar wijk zo verfoeit, waarom blijft ze er dan wonen? Omdat, zegt ze, haar man en dochters (7 en 4) het er heerlijk vinden. En nu ze boeken over de bewoners schrijft, is haar woonplaats goud waard.

Tussen al het burenleed door, geeft ze zichzelf bloot. Dat doet ze ook in Luxembourg. Onmiddellijk en overrompelend. „Ik heb geen schil”, zegt ze. Het duurt niet lang voor ik merk hoe waar dat is.

We zijn met z’n tweeën aan een tafeltje achterin het café gaan zitten. Daar, aan dat tafeltje, begon in 1994 haar andere leven. Ze had er toen ook met een redacteur van een uitgeverij afgesproken. „Ik was met de bus, de trein en de tram uit Alphen komen reizen. Ik, het Marokkaanse provinciaaltje, zag al die mensen hier en voelde dat ik één van hen kon worden. Hier voelde ik dat ik gelukkig kon worden.” Schrijfster wou ze altijd al worden. „Met school ging ik naar de bibliotheek. Daar moest later mijn boek komen te staan. Mijn leraar lachte me uit toen ik het zei. Hij vond dat ik beter kinderen kon gaan krijgen. Daar heeft hij me een grote dienst mee bewezen. Fuck you, dacht ik. En ben nog harder gaan vechten.”

Ze won een prijs met een gedicht, dat ze voorlas in theater De Meervaart in Amsterdam. Schrijfster Yvonne Kroonenberg hoorde haar en introduceerde haar bij haar uitgever. Op haar 21ste publiceerde ze haar eerste boek De weg naar het Noorden. Er kwam een tweede boek, met expliciete erotische passages. Op internet ontstond een haatcampagne tegen haar, de ‘nestbevuiler’, met de oproep haar, of haar gezin wat aan te doen. Haar derde boek ging over de diepe depressie waarin ze door alle ophef raakte.

Ze wil dat ik eerst iets van de menukaart kies. Zij neemt hetzelfde. Toevallig, zegt ze. Ze excuseert zich. Niet één keer, maar drie keer. En daarna excuseert ze zich voor haar verontschuldigingen. „Is zeker iets typisch vrouwelijks, steeds sorry zeggen?” Ik probeer haar gerust te stellen en zeg dat ze zich misschien vergist. Dat achtergrond en afkomst niet allesbepalend zijn. Zij ziet contrasten tussen ons, maar er zijn vast ook overeenkomsten. Ze buigt zich over tafel, pakt mijn arm. „Ik moet je even aanraken.” Fa-sci-ne-rend, zegt ze. „We denken dat we zo verschillend zijn, maar uiteindelijk zijn we allemaal hetzelfde.”

Het lijkt haar vaste patroon. Ze vindt iets, ze zegt het, wacht de reactie af en stelt haar mening bij. Was ik net nog haar tegenpool, nu ben ik haar nieuwe beste vriendin. Van nul naar tien binnen de seconde. Zo doet ze het in haar boeken, en zo doet ze in het echte leven. Om de zoveel tijd vraagt ze me wat ik van die of die vind. Als een olifantenjong dat af en toe trompettert om de bevestiging van de kudde te horen. Ze wacht niet op het antwoord, ze vuurt eerst zelf haar meningen af. Die uitgeverij is waardeloos. Die schrijver is cokeverslaafd. Die man is arrogant. Die recensent een bitch.

„Ik ben een vat vol vooroordelen”, zegt ze. „Ik ben uitgesproken. Mijn bek is te groot en ik ben te direct.” Ze moet wel schoppen en provoceren, zegt ze, om zich af te zetten tegen de cultuur waarin ze is grootgebracht. „De hypocrisie. De verstikkende sociale controle. De roddelcultuur. Het altijd maar beter willen zijn dan de ander. En de schijn ophouden als het je niet lukt de beste te zijn.”

Haar moeder maakt zich zorgen over haar. Bang voor de reacties die haar boeken oproepen. „Mijn eerste boeken kon mijn moeder aan haar vrienden en haar buren geven. Maar seks en depressie zijn zulke enorme taboes in onze cultuur, die boeken kan ze echt niet cadeau doen. Mijn Hindoestaanse vriendin zei laatst dat ze het zo bijzonder vond dat wij Marokkanen elkaar zo steunen. Hindoestanen, zei ze, halen elkaar altijd naar beneden. Marokkanen, zei ik, halen je samen naar beneden en ze stampen je gezamenlijk de grond in.”

Haat en nijd ziet Naima El Bezaz ook in de ‘schrijversscene’. „Ik was laatst op een feestje van de uitgeverij. Wat een nare mensen. Ze gunnen elkaar niets.” Hier, in Luxembourg, is ze net schrijver Jan van Aken tegengekomen. Ze heeft hem omhelsd en op beide wangen gekust. Later op de middag gaat hij met Hafid Bouazza naar de film. Schrijvers die ooit wél haar vrienden waren. De vriendschap is verwaterd toen zij verhuisde naar haar vinexwijk. Waar ze ook weer haat, nijd en hypocrisie aantrof. „Niets is wat het lijkt.” Haar honderden Facebookvrienden vertellen haar dagelijks dat het niet alleen in haar buurt zo toegaat, maar overal ter wereld. „Ik hoor zoveel ellende. De vinexwijk is Nederland. Die laat zien hoe de mens in elkaar zit. Totaal verziekt.” Ik trek één wenkbrauw op. Genoeg voor haar om iets in te binden. „Ja, ja. Ik ben van de grote uitspraken.”

De garnalenkroketjes komen. Ze geniet. „Lekker, zeg.” Ik vraag hoe het nu met haar gaat. Ze was nog maar net uit de depressie toen ze op een avond thuis van de trap viel en haar nek brak. Nu precies een jaar geleden. „Het is een trauma”, zegt ze. Ze had dood kunnen zijn, of op z’n minst een dwarslaesie kunnen hebben.

Drie maanden lang werd haar hoofd op haar schouders gehouden door een harnas, dat met stalen pinnen was bevestigd aan haar schedel. Op haar voorhoofd zitten nog twee kleine littekens. „Ik zat gevangen”, zegt ze. „Dan zag ik mijn kinderen, ik wilde ze omhelzen, maar het kon niet. Weet je hoe verschrikkelijk dat is? Je gaat kapot.” De gedachte dat haar kinderen bijna geen moeder meer hadden, is ondraaglijk. „En dan de artsen die maar zeiden dat ik blij mocht zijn dat ik nog leefde. Maar ik was niet blij.”

Komedie

Maar vóór je val, zeg ik, was je ook niet blij. Ze stokt. „De pijn is te vers. Ik wil niet in het negatieve blijven hangen. Geen slaaf zijn van mijn depressie. Ja, er was een tijd dat ik in een kamertje zat te huilen. Ik zag dat de zon scheen, maar ik voelde het niet. Alsof je naar een schilderij kijkt, maar de kleuren niet ziet. Ik ben het kamertje uit gekomen en heb gezegd: ik ben er weer.” Haar laatste boek heeft ze in anderhalve maand geschreven. „Sinds mijn depressie ben ik het pad van de komedie op gegaan. Er moet geen lijden in mijn boek zitten.” En weer vraagt ze of ik wel gelachen heb, of het wel grappig was. Ik zeg dat ze schrijft zoals ze praat. Bruusk en niet al te fijnzinnig. En dat ik niet altijd weet of ze overdrijft of niet. „Ik schrijf rauw”, zegt ze. „Je moet het gevoel hebben dat het direct uit mijn hoofd en hart komt.”

Er is een tijd voor en na de val, zegt ze. „Daarvoor leefde ik niet echt. Ik was altijd bezig met ‘what’s next’. Alsof je op een feestje over de schouders van je gesprekspartner staat te kijken of er een interessanter iemand binnenkomt. Nu ben ik er echt. Ik leef bewuster. Intenser. Aanwezig.”

Ik vraag hoe ze dat doet, bewuster leven. „Geen pammetjes meer. Te riskant.” Diazepam is een kalmeringsmiddel. „Iets minder Prozac.” Prozac is een antidepressivum. En: „Veel schrijven. Veel knuffelen. Knuffelen is heerlijk.” Ze geniet nu van de kleine dingen. „Mijn man die tegen mijn jongste zegt: ‘Wil je alsjeblieft je tanden poetsen.’ Mijn jongste die zegt: ‘Papa, je hoeft geen alsjeblieft te zeggen.’ En hij weer: ‘Jawel. Want jij bent belangrijk.’ En ze omhelsden elkaar.”

De kroketjes zijn op. Naima El Bezaz moet haar dochters van school halen. In de achterliggende uren heeft ze me haar ‘Hollandse spiegel’ genoemd, ze heeft gelachen en gehuild en ze heeft me twee keer bij haar thuis uitgenodigd. Ze heeft gezegd dat het verdriet in haar zit, en dat kon ik geloven. Ze heeft gezegd dat het leven lijden is, en dat leek me weer wat overdreven. Redacteur Josje Kraamer was nog even bij ons aan tafel komen zitten en had bevestigd dat Naima heel veel knopjes heeft, en dat ze altijd net dat knopje bij zichzelf indrukt dat je niet verwacht.

Naima El Bezaz heeft geen schil en geen schild. Het maakt haar kwetsbaar en onaantastbaar tegelijk. Je mag van haar houden en je mag een hekel aan haar hebben. Ze trekt haar jas aan, met een van pijn vertrokken gezicht. Haar nek is nog niet genezen. Ik zie haar het Koningsplein oversteken op weg naar de tramhalte. Zij gaat terug naar Zaandam.

    • Rinskje Koelewijn