Het moet wel een beetje fatsoenlijk blijven

Coach Morten Olsen van Denemarken, zaterdagavond tegenstander van Oranje, was als speler en trainer een Cruijffiaan. „Je herinnert je de elftallen die mooi voetballen.”

Toen Morten Olsen voor het eerst aan de slag ging als trainer bij Brøndby IF, vroeg hij hoe de club zijn jonge verdedigers opleidde.

Hij kreeg meteen een dossier overhandigd van twintig pagina’s. „Het was geweldig”, herinnert Olsen zich. „Zelfs ik stak er nog iets van op. Toen zei ik: ‘Oké, dit was de verdediging, maar wat doen we als we balbezit hebben?’ Daar hadden ze niets voor.” Spelers kregen de opdracht de bal naar voren te rammen of aan een creatieve speler mee te geven.

Olsen (62) is nu al twaalf jaar bondscoach van Denemarken. We ontmoeten elkaar in een vergaderzaal op het hoofdkantoor van de Deense voetbalbond, vlak bij het stadion van Brøndby. We kijken uit over tuinen en een trainingsveld. De voormalig aanvoerder van Danish Dynamite uit midden jaren tachtig draagt een keurig gestreken spijkerbroek, een donker jasje en een hagelwit overhemd. Zijn vriendelijk blauwe ogen gaan glinsteren als hij terugdenkt aan die tijd.

Olsen heeft het grootste deel van zijn carrière in België gespeeld, waaronder zes jaar bij Anderlecht. Vanwege zijn elegantie en intelligentie als verdedigende middenvelder kreeg hij de bijnaam de ‘Deense Beckenbauer’. Maar hij was meer een Cruijffiaan.

Zelf speelde hij nooit met Cruijff, hij speelde zelfs niet in Nederland, zoals zijn landgenoten Søren Lerby, Frank Arnesen, Jesper Olsen en Jan Mølby, maar het voorbeeld van de totaalvoetballers vond veel navolging.

„In de jaren zeventig keek je naar wedstrijden van Ajax en Feyenoord, die waren heel inspirerend. Die jongens kwamen dicht in de buurt van de manier waarop ik en ook andere Deense voetballers uit die tijd probeerden te spelen. We waren allemaal straatvoetballers, maar die Nederlanders geloofden echt in zichzelf. Het waren bluffers: ‘Wij zijn de besten!’ en dat was een groot voordeel. Ze voelden zich vrijer, en geloofden echt in hun aanvallende spel en in hun techniek.”

Tegenwoordig ziet hij ook wel dat het spel steeds sneller wordt en beter doordacht is. „Je hebt minder tijd en minder ruimte. Spelers moeten al weten waar ze de bal naartoe kunnen spelen voor ze de bal hebben. Hoe doe je dat? Door de jonge spelers een voor een zo goed mogelijk op te leiden.”

Toen hij in de jaren negentig trainer werd bij Brøndby besloot hij – net als Cruijff had gedaan bij Ajax – dat alle elftallen 4-3-3 gingen spelen met vleugelspelers. „In Denemarken had je altijd het ‘lange-ballen-naar-voren’-voetbal zoals dat in Engeland werd gespeeld. De trainers zeiden: ‘Oké, dus jij wilt dat we 4-3-3 spelen?’ Ja, zei ik. ‘Maar het gaat hier niet om de opstelling, het gaat over ruimte. Waar sta je in het veld? Hoe creëer je ruimte en hoe ga je daar vervolgens mee om?’ Zij maakten zich zorgen als ze balverlies zouden lijden. Daarop zei ik: ‘Als je bij de jeugd geen fouten kan maken, op welk moment in je leven kan dat dan wel?’”

Sinds 2000 is hij bondscoach van Denemarken en kan hij zijn visie verder uitdragen. „In een democratisch land kun je niet zeggen: ‘Zo moeten jullie het doen.’ Maar we kunnen het wel stimuleren, mensen motiveren. In 2005 heb ik gezegd: ‘Vanaf nu wil ik dat onze nationale jeugdelftallen op deze manier spelen.’ Dat is in het hele Deense voetbal overgenomen.”

Oftewel: Denemarken speelt als Nederland.

Een goed voorbeeld van de nieuwe aanpak is het kleine FC Norsjællend uit Farum (18.000 inwoners). Zij veroverden dit seizoen voor het eerst in de clubhistorie de Deense titel. Anders Laudrup, de zoon van Michael Laudrup, is een van hun topscorers. Een andere ster in het elftal is Andreas Bjelland, die volgend seizoen voor FC Twente uit zal komen.

„Nordsjællend heeft geweldige scouts en een goede jeugdopleiding. Nu winnen ze van FC Kopenhagen, dat zoveel meer geld heeft”, roept Olsen enthousiast. „Ze staan onder invloed van Barcelona en Ajax en ze spelen aanvallend voetbal, van achteruit, met korte passes. Ze proberen te combineren.”

Tijdens de voorbereiding van het Deense elftal op de wedstrijd tegen Oranje wijst Olsen op de overeenkomsten tussen de twee landen: „Nederland is een liberaal en vrij land en dat is terug te zien in hun manier van spelen. Bij Denemarken is dat net zo. Het gaat om de creatieve oplossing. Je hebt vrijheid nodig, maar voor die vrijheid heb je structuur nodig. Wij proberen die vrijheid te creëren middels discipline en organisatie.”

Olsen is zijn idealisme nog niet kwijt. „In voetbal gaat het om het winnen, toch? Maar als het alleen nog maar om winnen gaat, dan wordt het cynisch. Het moet wel een beetje fatsoenlijk blijven. Als alle elftallen met cynisme zouden gaan spelen, wordt het een nachtmerrie. Ik zat thuis tijdens de WK van 1990. Er waren geloof ik 64 wedstrijden en ik denk dat ik tijdens 60 wedstrijden de krant heb zitten lezen. Er gebeurde helemaal niets! Maar sinds 1998 zijn de toernooien steeds beter geworden.”

Nee, hij wil de pragmatische aanpak van het Nederlands elftal tijdens de WK in Zuid-Afrika absoluut niet veroordelen. „O nee, nee! Natuurlijk, in een land als Nederland heb je altijd de geschiedenis als referentiekader, je hebt altijd mensen die zich laten leiden door nostalgie en mensen met een realistische kijk op hoe je een wedstrijd moet winnen. Je moet het evenwicht zoeken. Je kunt niet altijd zeggen dat wat dertig, veertig jaar geleden goed was, nu nog steeds goed is. Het voetbal verandert en je moet realistisch zijn en altijd proberen de balans te vinden. Dat heeft Bert van Marwijk geprobeerd en ik vind dat hij dat heel goed heeft gedaan.”

Zelfs als het resulteert in het – zoals Cruijff het noemde – antivoetbal dat ze in de WK-finale speelden?

„Als je tegen Spanje speelt en Spanje komt in het ritme, dan is dat heel frustrerend. Je staat in de finale, maar je kunt niets doen. Ik denk dat dat gevoel overheerste. Spelers gingen dingen doen die ze normaal gesproken nooit zouden doen, en niet waar ze goed in waren.”

Hoe verwacht u dat Nederland zal spelen in Oekraïne?

„Ik weet het niet. We zullen het moeten afwachten.”

Wat is uw doelstelling in deze zware groep?

„Nederland, Duitsland en Portugal kun je allemaal zien als titelfavoriet. Maar we hebben een paar keer gewonnen van Portugal. We hebben de afgelopen vier, vijf jaar ook een paar keer gelijkgespeeld tegen Nederland. De eerste wedstrijd op het laatste WK ging het behoorlijk gelijk op. Nederland had zeker een beter elftal, maar wij hadden niet met lege handen hoeven staan. Duitsland is een van de favorieten. Dus zij moeten en wij kunnen.”

Wat bedoelt u?

„Wij zullen proberen verder te komen, maar zij móéten een ronde verder komen. Ik zou ook liever aan de andere kant staan, maar ik moet realistisch zijn. We hebben drie wedstrijden in een week. Met de vorm van de dag en die 10 procent geluk die je altijd nodig hebt, denk ik dat alles mogelijk is.”

We gaan terug in de tijd en ik vraag hem naar het Dynamite-elftal dat hij als aanvoerder naar de halve finale van het EK 1984 leidde en door een buitengewoon goede eerste ronde op het WK van 1986 loodste. Het elftal bestond voornamelijk uit spelers die bij de sterkste Nederlandse en Belgische clubs speelden en de Duitse coach Sepp Piontek gaf hun de vrijheid te spelen zoals ze wilden.

In hun aparte, rood-roze shirts en met twee van de beste spitsen van de eeuw – Preben Elkjær en Michael Laudrup – speelden de Denen een opwindend soort voetbal. Ze walsten over Schotland en Duitsland heen en verpletterden Uruguay in de eerste ronde met 6-1, maar toen ging het mis. Ze speelden in de tweede ronde tegen een heel zwak Spanje. Denemarken kwam snel op voorsprong en het leek erop dat ze de kwartfinale op hun sloffen zouden halen. Toen maakte Jesper Olsen een fout waardoor Emilio Butragueño voor de gelijkmaker kon zorgen. De Denen bleven stijlvol aanvallen – en ze bleven verdedigende fouten maken. Spanje won met 5-1.

Hoe traumatisch was die nederlaag?

„Op dat moment was het geen trauma, maar meer dan vijfentwintig jaar later zie je nu de dingen beter. In het voetbal denk je vaak ‘wat als’. Als je nu in de spiegel kijkt, weet je: wij hadden wereldkampioen kunnen worden.

„We speelden allemaal bij grote clubs, maar het was ons eerste WK. In de eerste ronde hadden we geweldig gespeeld en misschien waren we te snel tevreden. Als het ons tweede WK was geweest, hadden we het professioneler aangepakt. We werden Danish Dynamite genoemd – we speelden heel dynamisch.”

Speelden jullie niet op een Nederlandse manier?

„Nou, wij speelden meer met vleugelverdedigers dan met vleugelspitsen, maar je zou kunnen zeggen, ja. We konden snel schakelen, er werd veel gelopen, er zat veel energie en agressie in, we wisselden vaak van positie en zo.

„Natuurlijk had onze manier van spelen ook veel risico in zich, maar we hadden de kwaliteiten. We hadden vier of vijf ongelofelijk goede en snelle dribbelaars, en snelle jongens die van achteruit of via de zijkanten naar voren kwamen. Frank Arnesen was geweldig. En Jesper Olsen. En ik kwam altijd mee naar voren...”

Net als het Nederlands elftal van 1974 zijn de Dynamites nog steeds erg populair.

„We wonnen drie wedstrijden en de ronde daarna lagen we eruit. Toch praten de mensen nog steeds over ons. Net zoals ze over de Nederlanders praten of over het Braziliaanse elftal van 1982. Dus wat nou: het gaat om het winnen?

„In Duitsland ging het in het profvoetbal altijd om winnen. In 2006 won Duitsland niet, maar vond iedereen het elftal toch te gek. Voor het eerst dacht het Duitse volk: we hebben het toernooi niet gewonnen, maar we hebben iets anders gewonnen. En daar gaat het om. Je herinnert je altijd de elftallen die mooi voetballen.”

Hij is onder de indruk van de veranderingen die het Duitse voetbal heeft ondergaan. „Ik was altijd de grootste criticaster van het Duitse voetbal. Fysiek zit het wel goed en ze hebben ook de juiste mentaliteit, maar tactisch zijn ze nergens. Bij Euro 2000 ging het helemaal mis en hebben ze het roer omgegooid. Nu voetballen ze fantastisch.” Het enige ‘probleem’ is nu dat de combinatie van geld, macht en creativiteit ervoor zorgt dat ze onverslaanbaar zijn. „De Duitse bond is de grootste sportorganisatie ter wereld. Drieënhalf miljoen leden. Bijna net zo veel als het aantal mensen in Denemarken.”

Na het WK van 1986 kreeg Olsen een telefoontje van Cruijff: of hij het middenveld van Ajax wilde komen versterken. Olsen bedankte en ging in plaats daarvan naar FC Köln. „Ik heb een mooie tijd gehad in Keulen”, blikt hij terug. „Ik ben later alsnog naar Ajax gegaan.”

En hoe. In 1997 kwam Olsen als trainer bij Ajax, dat nog steeds rouwde om alle Champions League-helden van 1995 die waren vertrokken als gevolg van het Bosman-arrest: de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in 1995 over de Belgische voetballer Jean-Marc Bosman, die in 1990 zijn vrijheid opeiste nadat zijn contract bij Club Luik was afgelopen. Olsen wekte de club weer tot leven.

In zijn eerste seizoen behaalde hij de dubbel en haalde hij belangrijke spelers naar Ajax zoals Michael Laudrup, Shota Arveladze en Sunday Oliseh. In zijn tweede seizoen vroegen Frank en Ronald de Boer om een transfer naar Barcelona. Ze kwamen in opstand tegen Olsen en hij weigerde hen te laten gaan. Niet lang na het conflict werd de tweeling voorgesteld in Catalonië – Olsen werd ontslagen.

Het probleem was dat de broers voor zeven jaar getekend hadden en dat Olsen nieuwe spelers had verzekerd dat ze zouden blijven. Het was een „pijnlijke” periode. „Soms maak je ook als coach fouten. Maar in de afgelopen tien jaar heeft Ajax me twee keer teruggevraagd. Twee jaar geleden vroegen ze of ik Ajax wilde doen naast het Deense elftal. De bond heeft dat toen tegengehouden. Maar ik moet wel iets goed hebben gedaan, anders vragen ze je niet terug.”

Hoe is uw verhouding met Frank en Ronald de Boer nu?

„Ik heb geen problemen met hen. Ik heb gehoord dat ze hun verontschuldigingen hebben aangeboden.”

Zijn jullie nu vrienden?

„Natuurlijk! Natuurlijk! Ik spreek Frank regelmatig over Christian Eriksen en zo. En Ronald doet nu de jeugd bij Ajax. Het is allemaal zo lang geleden.”

Vertaling Edith Vroon

    • David Winner