De scheidslijn loopt door families

Het broeit in de Syrische hoofdstad Damascus, de oorlog komt steeds dichterbij. Vijf portretten geven een beeld van de publieke opinie in de stad. Families blijken verscheurd.

Foto’s van de Syrische president zijn tegen een winkel in de oude binnenstad van Damascus geplakt. Foto AFP

De eerste indruk is er bijna een van teleurstelling. Is een Nederlandstalige journalist niet belangrijk? Of heeft het regime het te druk met de opstand om journalisten in de gaten te houden? Feit is dat de bagage bij de grens niet wordt gecheckt. Het boek De poorten van het paradijs van Khalid Khelifa, verboden in Syrië, mag gewoon mee. Khelifa zal het later bij hem thuis signeren, moeizaam, omdat de politie vorige week zijn linkerhand heeft gebroken tijdens de begrafenis van een vriend.

In het hotel zoekt de blik naar spionnen van het regime. Is het de jongen van de receptie? De moeder met haar vier kinderen? Een frisse neus halen moet uitsluitsel geven. Dat een buitenlandse journalist zomaar in Damascus mag rondlopen is ondenkbaar. Maar er is niemand die volgt.

Die relatieve vrijheid – buiten Damascus zijn er wel beperkingen – maakte de volgende gesprekken mogelijk. Het zijn uitgeklede portretten: details en de plek van de ontmoeting zijn weggelaten om veiligheidsredenen. Namen zijn gefingeerd.

De selectie geeft een beperkt beeld van de publieke opinie in Damascus. De scheidslijn blijkt vaak dwars door families en vriendschappen te lopen. Dat geeft hoop, wanneer een opposant uit de gevangenis wordt geplukt dankzij familieleden uit het regeringskamp. Of juist niet, wanneer vriendschappen of familiebanden sneuvelen op het slagveld.

Damascus lijkt soms een oase van normaliteit. Schijn bedriegt. De gevechten komen steeds dichterbij het centrum, en elke vrijdag wordt in wijken slag geleverd tussen het leger en betogers. Veel mensen uit plaatsen als Hama, Homs en Daraa, waar het daadwerkelijk oorlog is, hebben hun toevlucht gezocht tot de hoofdstad. Dat gaat voor meer conflict zorgen.

Grote vraag is welke kant de grauwe meerderheid kiest. De staking vorige week, naar aanleiding van het bloedbad in Houla, was onverhoopt een succes. Dit suggereert dat de steun voor het regime afbrokkelt.

Na zoveel bloedvergieten lijkt een compromis onmogelijk. Komt er een ‘uur U’ waarop Damascus massaal in opstand komt en het regime ineenstort? Of staat Syrië juist een wrede burgeroorlog te wachten? „Hoe langer een revolutie duurt”, zegt Khaled Khelifa, „hoe minder de waarheid zich laat kennen.”

1. Ontvrienden in Syrië

Telkens nadat Rima, een gescheiden moeder van 29, in de gevangenis was beland – twee keer tot nu toe – had ze weer minder Facebookvrienden. „Het is een schok als je je Facebookpagina opent. Mensen zijn bang om met je geassocieerd te worden. Mijn hele familie heeft mij ontvriend!”

Families zoals die van Rima, waar de politieke scheidslijn dwars door de huiskamer loopt, zijn er wel meer in Syrië. Maar Rima staat wel erg alleen in haar familie. „Mijn moeder kijkt de ganse dag Al-Dounia”, de staatstelevisie. „Mijn zussen hebben in hun slaapkamer posters hangen van Hassan Nasrallah”, de leider van de shi’itische verzetsbeweging Hezbollah in Libanon, een bondgenoot van de Syrische president Bashar al-Assad. Haar broer werkt voor het Syrische Elektronische Leger, een groep regeringsgezinde hackers. „Mijn vader haat Bashar maar hij doet er niets aan. Nee, mijn dochtertje van drie is mijn enige bondgenoot.”

Het waren activisten zoals Rima die vorig jaar de revolutie tegen het Assad-regime begonnen. Sindsdien is het protest ontaard in een gewapend conflict dat steeds dichter bij een burgeroorlog komt. „Ik was de laatste tijd heel depressief over de situatie”, geeft ze toe. „Je kunt jezelf wel wijsmaken dat het regime verzwakt is, maar ik ben er in anderhalf jaar nog niet eens in geslaagd mijn eigen broer te overtuigen. Hij gelooft heilig dat er een complot is tegen Syrië, dat die betogers alleen op straat komen omdat ze betaald worden door Saoedi-Arabië.”

De staking van vorige week, naar aanleiding van het bloedbad in Houla, heeft haar hoop gegeven. „Ik had nooit verwacht dat de staking zo’n succes zou zijn. Ik denk dat het door Houla komt. Veel mensen waren in hun hart altijd tegen het regime maar waren gewoon bang. Die angst is nu doorbroken.”

Het bewijs is dat we gewoon openlijk zitten te praten in een café in de oude stad. „Een jaar geleden werd je opgepakt als je ook maar iets tegen Bashar zei. Maar ze kunnen niet iedereen arresteren.”

2. Sami, de ‘shabiha’

Sami Darwish (28) is een ‘shabiha’. Dat wil zeggen: zo noemen de anderen hem. De shabiha (letterlijk: spoken) zijn burgermilities die het vuile werk opknappen voor het regime. Zelf omschrijft Darwish – niet zijn echte naam – zich liever als een lid van de ‘volkscomités’. Dat is allemaal netjes geregeld. Hij krijgt elke maand 250 dollar van de overheid, plus een bonus van 20 à 30 dollar per missie. Dat is niet veel, maar ook niet slecht voor een jongen uit Mezze 86, de wijk in Damascus waar de minder fortuinlijke alawieten (president Assads eigen sekte) zijn neergestreken.

Darwish is zelf geen alawiet maar een shi’iet. Dat onderscheid is niet zo belangrijk, zegt hij. „We zijn allemaal volgelingen van Ali, we zijn broeders.” Hij heeft een reisbureautje voor shi’itische pelgrims uit andere landen die de heilige plaatsen in Syrië willen bezoeken. Het is geen groeimarkt, helemaal niet sinds vorige maand elf Libanese pelgrims op de terugweg van Iran werden gegijzeld door een gewapende groepering bij de stad Aleppo.

„Er is geen religieus toerisme meer”, zegt Darwish. „Ik heb een klein telefoonwinkeltje waar ik meestal zit te wachten tot ik gebeld word de inlichtingendienst. Meestal is het in Damascus maar we gaan ook naar Homs en Hama. Er zijn maanden dat we elke dag op stap gaan, andere maanden is het rustig. Een maand geleden heb ik een kogel in mijn been gekregen, dus ik doe het nu wat kalmer aan.”

Vóór „de situatie”, zegt Darwish, waren er geen problemen in Syrië. „Maar na de revoluties in Egypte en Tunesië hebben radicale sjeiks uit Saoedi-Arabië en Qatar de sunnieten op verkeerde ideeën gebracht.”

Hij heeft natuurlijk ook gezien hoe jongeren in Egypte en Tunesië opkwamen voor hun rechten. „Maar democratie is niet goed voor Syrië”, zegt hij. Waarom niet? „Bashar is niet zoals die andere presidenten. Hij heeft nooit iets voor zichzelf gedaan. Hij denkt alleen aan zijn volk.”

Hij twijfelt er geen moment aan dat het regime zal zegevieren. „Het is een kwestie van tijd. De gewapende oppositie zal verpletterd worden. Er zijn nu al mensen plannen aan het maken voor de wederopbouw van Homs.”

Of hij ooit een vriend zou aangeven als hij ontdekt dat die meedoet aan de betogingen? „Nee, vriendschap gaat boven de politiek. Ik heb vrienden die bij de oppositie zitten, maar ik zou hen nooit verklikken. Maar als een vriend zich bij de gewapende opstandelingen aansluit, dan zal ik hem persoonlijk doden.”

3. Onwettig afwezig

Hij heeft Yasser Khalil als schuilnaam gekozen. Hij zit ondergedoken in een huis ergens in Damascus omdat hij militair is en drie maanden geleden niet is teruggekeerd van verlof. Nou ja: ondergedoken. Het is gewoon zijn eigen huis. Khalil (29) heeft een deal gemaakt met zijn chef in Homs. „Hij noteert mij als aanwezig en ik blijf mijn soldij van 14.000 pond (172 euro) trekken. Maar ik moet hem wel elke maand (295 euro) betalen. We zijn erachter gekomen dat er zo’n dertig mensen zijn die dit doen. Reken maar uit. Zo’n officier weet ook niet hoe dit afloopt: die zorgt voor zijn oude dag.”

Maar Khalil is de deal beu: hij wil overlopen naar het Vrije Syrische Leger. „Het probleem is: ik heb geen geweer of munitie. De rebellen hebben niet meer manschappen nodig, ze hebben wapens nodig. En het is ook niet zo eenvoudig: er is nergens een bevrijd gebied waar je zomaar naartoe kunt.”

Dat er niet meer militairen overlopen, komt omdat het leger een gevangenis is, zegt Khalil. „We hebben geen gsm’s, tenzij we die binnensmokkelen. En we hebben geen televisie. Er wordt ons voortdurend ingeprent dat we tegen terroristen aan het vechten zijn. Verlof is heel moeilijk te krijgen omdat zo veel mensen nooit terugkeren uit verlof.”

De meeste militairen zijn tegen het regime, zegt hij. „Maar we hebben geen keus. Het leger gaat nooit ergens alleen naartoe: achter ons staat de inlichtingendienst. Wie niet wil doden, wordt zelf gedood. Het is twee van mijn vrienden overkomen.”

Hij herinnert zich een sunnitische militair die altijd vrijwilliger was om ‘terroristen’ te mogen doodschieten. „We vroegen ons af waarom. Hij zei: ‘Beter ik dan een alawiet. Als het erop aankomt, schiet ik in de lucht of in de benen.”

Hij twijfelt er niet aan of de slachting in Houla is aangericht door de shabiha, met medeweten van het leger. „Ik was in Homs gestationeerd en twee vrienden hebben mij gebeld. Ze zeiden: ‘We gaan naar Houla en het wordt een bloedbad.’”

4. Alawiet én vluchteling

Rami Ghazzal (26) is een vluchteling, maar niet van het soort waarover men vaak leest. Ghazzal werd als alawiet weggepest uit Harasta, een opstandige buitenwijk van Damascus.

„Op 26 oktober vorig jaar is een vriend van mij voor mijn ogen doodgeschoten. Hij was een christen en een militair die op verlof was. De volgende dag hebben mensen uit de buurt mij aangeraden om te vertrekken. Jij bent een alawiet en je bent tegen de revolutie. Het is hier niet veilig voor jou, zeiden ze. Er bestaat een Facebookpagina van de Vrije Mannen van Harasta met een zwarte lijst waarop mijn naam staat. Sinds het begin van de opstand zijn in Harasta al negen alawieten vermoord. Deze week nog is een sunnitische vriend van mij gedood omdat hij het regime steunde.”

Ghazzal heeft een politieke partij opgericht, de Nationale Syrische Jongerenpartij. „We hebben meegedaan aan de parlementsverkiezingen van vorige maand, maar we hebben geen zetel behaald. We zijn een erg jonge partij.”

Ghazzals partijtje steunt uiteraard het regime, maar heeft ook wel eigen ideeën. „We willen de macht van het leger en de inlichtingendiensten beperken en de corruptie bestrijden.”

Hij is het wel eens met de president dat er alleen gepraat kan worden met de legale oppositie, niet met de Syrische Nationale Raad, die de oppositie vertegenwoordigt. „Die mensen zouden hooguit 10 procent van de stemmen krijgen als ze deelnamen aan verkiezingen in Syrië.”

Maar Ghazzal is een eenzaam man. „Bijna al mijn vrienden zitten bij de oppositie. Ik probeer vriendschap en politiek gescheiden te houden. Maar niet iedereen denkt daar zo over.” Dat is pijnlijk, geeft hij toe. „Vroeger hadden we het nooit over sunnieten of alawieten. Een kleine groep mensen is het voor iedereen aan het bederven.”

5. Vijf mannen en een jachtgeweer

‘Abu Taher’ is een van tien broers: acht van hen zitten in de gevangenis. De kans is groot dat Abu Taher zich straks bij hen voegt. Hij is een van de vijf jongemannen in een kamertje ergens in Damascus, die zich soldaten van het Vrije Syrische Leger noemen. Hun enige wapen, een Turks jachtgeweer, staat trots tegen de muur uitgestald.

Abu Taher is afkomstig uit Daraa, een verzetshaard. Er zitten veel meer mannen zoals hij in kamertjes in Damascus. Het is een van die ongerijmdheden van het Syrische conflict, dat veel opstandelingen en hun families juist in de hoofdstad onderdak zoeken. Hier vinden ze de veiligheid en de anonimiteit die thuis onmogelijk is.

„We zitten allemaal te wachten op het uur U”, zegt Abu Taher. „Maar u ziet het: we hebben samen één geweer en 25 patroonhulzen.” Het waren er ooit meer maar de groep heeft recent een man uit de buurt gedood die als verklikker werkte voor het leger. In opstandige buurten als deze gebeurt het dat het leger zo’n verklikker gemaskerd op een kruispunt opstelt om oppositieleden te identificeren.

„Wij zijn allemaal bereid om te sterven”, zegt Abu Taher. „Maar als het leger ophoudt met het doden van mensen dan gaan wij terug naar vreedzame betogingen. Maar het regime weet: als het de militairen terugtrekt uit de steden is het binnen een dag afgelopen.”

Ze verschillen van mening over het belang van religie in de opstand. „De Koran is nu onze grondwet”, zegt een van hen. „Nee, Syrië is voor iedereen”, zegt een ander. Alle vijf geven ze toe dat ze vroeger wel van drinken en feesten hielden maar nu niet meer. „Als je elke dag kan doodgaan dan wil je klaar zijn voor het paradijs.” Op vrijdag komt het bericht dat een van de vijf gedood is; het is niet meteen duidelijk wie.