Anders versus meer

Met nieuwe technieken kun je meer en beter produceren. Maar is dat wat de wereld nodig heeft? De meningen verschillen.

Het is geen toeval dat een groot deel van de innovaties uit de mkb top 100 uit de landbouw en de voedingsindustrie komt. Deze topsectoren zijn in totaal goed voor ongeveer 10 procent van de Nederlandse economie (bnp). Dit is waar Nederland goed in is en wereldwijd groeit de vraag. De wereldbevolking groeit en voedingspatronen veranderen naarmate landen welvarender worden.

Om bijvoorbeeld de Chinezen aan biefstuk te helpen, ontstaan er nieuwe productiemethodes. Buurland Vietnam speelt daarop in met massale veeteeltbedrijven (met soms wel 40.000 koeien). Zelf kopen we graag de goedkope pangasiusfilet uit de Vietnamese visvijvers, ook al is dat intensieve visteelt waarbij het gebruik van antibiotica niet geschuwd wordt.

Is dat innovatie? Nee, zeker niet, zeggen de vernieuwers in Nederland. Dat is massaproductie die tegen haar eigen grenzen aanloopt. Met schadelijke gevolgen voor mens en milieu.

Bij innovatie hoort duurzaamheid. Daar zijn de vernieuwers in Nederland het over eens. Maar over de vraag wat nu wel of niet echte innovatie is, lopen de meningen sterk uiteen. En ook over de vraag of en hoe je die moet subsidiëren.

Ernst van den Ende, plantspecialist aan de Wageningen Universiteit, geeft de zaadindustrie als goed voorbeeld van innovatie. Daar heeft Incotec uit Enkhuizen baanbrekend werk verricht door zaden te bekleden met een dun jasje (coatings) waardoor ze beter kiemen en dus productiever zijn. „Dit is echt innoveren, dit zijn totaal nieuwe technieken.”

Het topsectorenbeleid van minister Verhagen heeft volgens Van den Ende veel in beweging gebracht. Hij is zelf actief betrokken bij de topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen. Echte doorbraken zijn er nog niet bereikt. Daarvoor is het nog te vroeg: de contracten tussen overheid, bedrijfsleven en kenniscentra zijn pas twee maanden geleden getekend.

Maar Van den Ende maakt zich zorgen dat er geen nieuw geld beschikbaar is. „Er zijn verschillende bestaande potjes samengevoegd.” Het verschil is alleen de rol van het bedrijfsleven dat zich nu ook voor 1,5 miljard euro gecommitteerd heeft aan het innovatiebeleid. Dat is goed, maar niet voldoende, zegt de plantspecialist. „Want voor innovatie heb je onafhankelijk, fundamenteel onderzoek nodig.” Investeren in onderzoek dat niet direct een toepassing heeft. Het bedrijfsleven zal vooral investeren in nieuwe toepassingen, voor het fundamentele onderzoek zal de overheid een leidende rol moeten blijven spelen, meent Van den Ende.

Volgens innovatie-expert Joris Craandijk is de ingeslagen weg precies hoe het niet moet. Innoveren gaat niet om ‘sneller, beter, goedkoper’, maar om het ontwikkelen van nieuwe ideeën die de „waardeketen” veranderen. Craandijk spreekt van de ontwikkeling van een „begeerd idee”: een nieuw product waar de ontvanger op zit te wachten en dat waardevol is voor de afzender om te maken. Zoals McDonald’s zocht naar die ene boer met wie ze hun duurzaamheidsimago konden opvijzelen. Of Unilever naar de melk van Cono voor de productie van Ben & Jerry’s ijs. Craandijk: „Een goede innovatie is een evolutie voor de gebruiker, maar een revolutie voor de industrie.”

Wat dat betreft is er in de traditionele wereld van land- en tuinbouw nog veel terrein te winnen. Kaasmaker Cono en boer Stokman zijn nieuwe wegen ingeslagen en hebben met hun vernieuwingen de weg teruggevonden van de consument en de maatschappij. Maar het gros van de sector zoekt het volgens hem nog in de verbetering van techniek en efficiëntie. Een doodlopende weg, stelt Craandijk.

Algenproducent Carel Callenbach noemt het de innovatieparadox. „Het publiek zit te wachten op echte verandering, maar het innovatiebeleid levert vooral nieuwe technologie op binnen de bestaande economie.” De grenzen van de efficiëntie zijn bijna bereikt. Het is tijd voor systeemverandering, zoals de ontwikkeling van ‘urban farming’ waarbij steden worden ontworpen als geïntegreerde systemen die hun eigen voedsel verbouwen en hun eigen uitwerpselen omwerken tot drinkwater. „We moeten ons gedrag radicaal veranderen, niet steeds maar aanpassen.”

Callenbach vindt dat de bestaande regels deze verandering juist tegenhouden. „Ik ben tegen de subsidieregelingen zoals die nu zijn, omdat die innovatie niet stimuleren.”