Het bijna-nieuws waar helaas steeds meer vraag naar is

Illustratie Hajo

Pagina 32 van het Lenteakkoord, hebt u die al bekeken? Ik deed het pas deze week, toen de verkiezingsprogramma’s van SP, GroenLinks en PvdA gelezen moesten worden. De woorden waarmee links de rechtse dominantie denkt te bestrijden, illustreren dat die dominantie nog wel even blijft. ‘Nieuw vertrouwen’, ‘klaar om te regeren’, ‘sterker en socialer’: de taal van modern links is sober.

Zo ging ik vanzelf weer bladeren in dat Lenteakkoord, zeker toen iemand me aanspoorde nog eens te kijken naar één passage op pagina 32. Het ging om drie woorden (‘Terugdraaien opbrengst licenties’) en een bedrag (10 miljoen euro) dat als tegenvaller is ingeboekt. Meer niet.

Dit was, inderdaad, vreemd. Eerst in het Catshuis, en later bij de Lentepartijen, deden hoofdrolspelers zwaarmoedig over de enorme bedragen die ze uit de begroting moesten snijden. Loodzwaar was het. Onwaarschijnlijke opgave. Deprimerend miljardenspel.

Wat blijkt? Bij die ingewikkelde onderhandelingen vond iemand het nodig zich druk te maken over 10 miljoen euro. Naar Haagse begrippen een schamel bedrag. Kleuterzakgeld.

Niet alleen kreeg die persoon zijn zin, de kleine geschiedenis die erachter schuilgaat rekent af met een hardnekkige mythe over de nieuwe politiek: dat lobbyisten in Den Haag de dienst uitmaken.

Achter die drie woorden en die 10 miljoen bleek een debat over de vrijgave van de markt voor online gokken schuil te gaan. Pokeren op de laptop. De VVD en staatssecretaris Teeven (Justitie) zijn daar voor. Liberale logica. Zo kwam dit in het regeerakkoord – de 10 miljoen was de verwachte opbrengst van de verkoop van vergunningen.

De uitvoering van dit plan was het afgelopen jaar voorwerp van een lobby waarmee grote namen als Alexander Rinnooy Kan, Robin Linschoten en Hans Anker bemoeienis hadden, vertelde Lea Bouwmeester me, een jong PvdA-Kamerlid (32) dat zich duidelijk thuis voelt in Den Haag.

Linschoten, de oud-VVD-politicus, was lobbyist voor de bedrijven die de mensen online aan het gokken willen krijgen. Hij deed dit zo onsubtiel, zei Bouwmeester, dat het haar, met een CDA-collega, weinig moeite kostte de Kamer ervan te overtuigen dat die bedrijven een paar strenge regels verdienden.

De wereld van de goede doelen roerde zich ook. Organisaties als Amnesty, het Prins Bernhard Fonds en Natuurmonumenten leven voor een deel van de opbrengst van loterijen, en om te voorkomen dat zij te veel verliezen aan het online gokken schakelden zij Rinnooy Kan in, man of many hats. Mede met zijn hulp, zei Bouwmeester, ontstond een compromis in Kamer: het online gokken zou onder strenge voorwaarden toegestaan worden, op een manier die ook de goede doelen geruststelde.

„Ik leer hiervan”, zei Bouwmeester, „dat de top van bestuurlijk Nederland ontzettend klein is. Heb je een probleem? Benader Rinnooy Kan.” Zelf dacht ik dat dit soort ideeën – bestuur als old boys’ network – uit de mode was. Maar niet bij dit politieke talent. En ook weer wel. „Het is oude politiek”, zei ze. De kans dat bekende oud-politici met een paar telefoontjes iets gedaan krijgen, wordt kleiner. Ook hun gezag is geen automatisme meer, zei ze.

De grap van dit gevalletje is natuurlijk dat al het gelobby, al het gecommuniceer met glimmende mapjes, op niets uitliep. „Twee minuten”, zei ze, had Carola Schouten, financieel woordvoerder van de ChristenUnie, nodig om het lobbywerk in de gesprekken over het Lenteakkoord ongedaan te maken. Nog een jonge vrouw die als groot talent te boek staat. De CU is principieel tegen vrijgave van de online gokmarkt, „omdat ik niet wil dat de overheid verslaving in de hand werkt”. Einde verhaal voor de slimme jongens met hun geweldige contacten en schrandere strategietjes.

De bête noire onder Haagse lobbyisten is uiteraard de tabaksindustrie. Daar had Bouwmeester ook een verhaaltje over. In dat Lenteakkoord is weer accijnsverhoging op tabak opgenomen en daar zijn ze bij Philip Morris allicht niet blij mee. Zodoende spoorde het bedrijf lokale politici in Bergen op Zoom, waar het een sigarettenfabriek heeft, aan hun landelijke partijgenoten te wijzen op de gevolgen voor de „werkgelegenheid in onze fabriek in Bergen op Zoom”. Een conceptbriefje voor Haagse partijgenoten was bijgesloten. „Misbruik van machtspositie”, zei Bouwmeester. Die fabriek werkt volgens haar vooral voor de export. Ik zie het bezwaar niet, zei Mathijs Peters, lobbyist van Philip Morris Benelux. „Als Organon mogelijk uit Oss verdwijnt, vragen lokale PvdA en SP daar ook nationaal aandacht voor.” Maar wat meer zegt: ook deze lobby is niet erg effectief, want geen van de Lentevijf maakt aanstalten de afspraken te veranderen.

Het wil niet zeggen dat de tabaksbranche machteloos in Den Haag rondstrompelt. Voor hun echte successen hebben politici amper aandacht. De Algemene Rekenkamer deed er deze week, zijdelings, een boekje over open. Dit rapport haalde het nieuws omdat de branche in staat zou zijn geweest de opstelling van Nederland te veranderen in een Europese discussie over accijnzen, door een gesprek dat toenmalig commissaris Elco Brinkman van Philip Morris in 2009 had met toenmalig staatssecretaris van Financiën Jan Kees de Jager. Het soort bijna-nieuws waar helaas steeds meer vraag naar is. Het rapport legt geen verband tussen dat gesprek en de veranderde opstelling van Nederland, benadrukte Kees Vendrik, lid van de Rekenkamer, toen ik hem er donderdagmiddag naar vroeg.

Vendrik, oud-financieel woordvoerder van GroenLinks, zit pas kort in de leiding van de Rekenkamer. Op de werkvloer en in de Kamer zeggen ze nu al dat hij een geschikte opvolger zou zijn, als voorzitter Saskia Stuiveling in 2015 vertrekt. Wat ook bijna-nieuws is – we weten niet eens welke Kamerleden dit dan beslissen, maar iets zegt het wel. Vendrik laat een voortreffelijke indruk achter.

Het fascinerende van dat rapport deze week was dat de Kamer geen behoefte had aan mondelinge toelichting. Te druk met campagne en verkiezingsprogramma’s natuurlijk. De ironie is dat het rapport bulkt van de feiten die de Kamer aangaan. Het beschrijft dat lobbyisten vaak meer weten dan Kamerleden over mogelijk nieuwe regels. „Op verschillende punten zou de Kamer beter geïnformeerd moeten worden”, zei Vendrik.

Belangrijker: het rapport legt bloot dat het bestuur amper greep heeft op de tabaksbranche. Tien jaar terug bestond in Brussel het vermoeden dat de branche zélf zwarte sigaretten op de markt brengt om belasting te ontlopen. De branche ontkende. Daarna werden convenanten gesloten – „een soort schikking”, zei Vendrik – zodat bedrijven EU-lidstaten, waaronder Nederland, gederfde belasting terugbetalen en verslag uitbrengen over de manier waarop ze de zwarte handel intern tegengaan. Eén fabrikant vergoedde sindsdien maar liefst 23 miljoen euro, zei Vendrik.

En wat is nu het interessante? De Rekenkamer vond op de ministeries slechts één verslag terug waarin een tabaksbedrijf zijn aanpak van zwarthandel verantwoordt. Op die verslagen komt geld binnen, zei Vendrik, en gezien de afspraken is het „gek” dat er niet meer van zijn. „Dat kost geld.”

Het is uitvoering van beleid. Saai. Het soort werkelijkheden waarvoor de Kamer, in zo’n week van verkiezingsprogramma’s, dus even geen aandacht heeft.

Liever een nieuw plan dan zicht op de praktijk.

    • Tom-Jan Meeus