Tutcultus

Ze heten Femque, Anke en Ingelies. Ze ontwerpen of importeren kleurrijke, razend populaire frutsels en dingetjes, zoals tafelkleden en serviezen met bloemen, vogeltjes of kwekkende blonde vrouwen. Deze week zijn ze aangepakt door de hoofdredacteur van Elle, Cécile Narinx. Die trok in de Volkskrant van leer tegen hun producten en de vrouwen die ze kopen: „Dames, waar zijn wij nu helemaal mee bezig?” Was híervoor nou geklaagd over glazen plafonds?

Het gevit op parttime werkende vrouwen rond die glazen plafonds vond ik altijd wat overdreven, omdat onafhankelijkheid niet per definitie in een fulltime baan zit. Zoals ik ook de Elle nooit goed begreep – zelf gewoon geen talent voor glossy’s. Maar na zes jaar buitenland beneemt de totalitaire knusheid van Nederland je wel de adem. Waar kwamen die versierde fietsen, Exota-jurkjes en dat serviesgedoe opeens vandaan? Het geknutsel met kinderen? En waarom verkleuterde vooral de hoogopgeleide ‘ma-di-do-moeder’?

Hang naar nostalgie voldoet niet als verklaring. Die zie je ook in andere landen, maar niet zó. Het zich afzetten tegen een prestatiemaatschappij kan ook nauwelijks oorzaak zijn, daarvoor werken Nederlandse vrouwen te weinig. Begrijpen de aanstichters het zelf? Ik belde Femque, Anke en Ingelies. Ze bleken zo verschillend als Nederlandse vrouwen.

Femque van Geffen, blond, zit achter Blond Amsterdam, van het kwekkende damesservies. Zij noemt haar succesontwerpen consequent „dingetjes” en „spulletjes”. Als je haar naar haar omzet vraagt, dan giechelt ze: „Dat weet ik niet precies hoor, mijn man doet die dingetjes.”

Anke van der Endt bedacht het merk Pip, een soort meisje in „een Victoriaans huis” dat met haar parkiet „Tjommy”, allerlei snoezigs ontwerpt. Schattigheid die flink verkoopt. Maar als ik haar voorzichtig probeer uit te leggen waarom haar motto ‘Happy products for Happy People’ misschien enigszins passief-agressief overkomt, dan zegt zij ijzig: „Oké. Je schrijft een – eh – column? En als dat nou een negatief verhaaltje wordt?”

Ingelies Straatemeier, oprichtster van Kitsch Kitchen, is niet zoals haar voornaam en gebloemde fietszadelhoezen doen vermoeden. Zij „baalt gewoon” van dat stuk van Narinx. Zij voedt haar kind alleen op, reist veel, geeft fulltime leiding aan twaalf man en een groothandel. Straatemeier verzint geen poesiealbum rond haar fietstassen, maar geeft Mexicaanse vrouwen naaimachines om die voor haar te maken. „Het is niet bedacht.”

Toch begon de tutcultus juist rond haar merk. Al heeft Straatemeier het voorzichtiger over „een cultuur die wel erg vaak gaat over leuk bezig zijn”. Ze is bezorgd dat duidelijker praten haar klanten gaat kosten.

Haar duurzame spullen, recht uit ontwikkelingslanden, werden een statussymbool van precies de fröbelvrouwen waarvan Straatemeier zelf de rillingen krijgt, concludeer ik. „Daarover kan ik me niet uitlaten”, zegt zij diplomatiek. „Maar ik begrijp je verbazing en ik heb hem zelf ook.”

Ik verheug me daarom op diepgravend wetenschappelijk onderzoek.

    • Margriet Oostveen