Stil tastend tussen de apendansen

Een geschakeerd dichterskwartet is genomineerd voor de C. Buddingh’- Prijs. Vernieuwing lijkt de drijfveer bij de uitverkorenen, maar dat is bij de favoriet juist weer niet het geval.

Elllen Deckwitz: De steen vreest mij. Nijgh & Van Ditmar, 43 blz., € 14,95

Jeroen Mettes: N30+. Nieuwe zinnen. Weerstandsbeleid. Wereldbibliotheek, 264 en 376 blz., € 29,90

Max Temmerman: Vaderland. Uitgeverij Vrijdag, 44 blz. € 15,--

Michaël Vandebril: Het vertrek van Maeterlinck. De Bezige Bij Antwerpen, 2 x 33 blz. € 19,95

Op donderdag 14 juni a.s. wordt op het Poetry International Festival in Rotterdam voor de 25ste keer de C. Buddingh’-prijs uitgereikt. Voor nieuwe dichters is dat een begeerlijke onderscheiding. In het verleden werden onder meer de poëziedebuten van Tonnus Oosterhoff, Joke van Leeuwen, Ilja Leonard Pfeijffer en Mark Boog bekroond. De prijs is dan ook bovenal een lauwerkrans voor poëtische belofte.

De Buddingh’-prijs wil nieuwe dichters stimuleren, maar de jaarlijkse staalkaart van inzendingen en nominaties is ook als ijkpunt voor de literaire kritiek bedoeld. Dat blijkt geen loze doelstelling, want van de 25 ingezonden bundels is er in 2011 slechts één in deze krant besproken. Duidt dat op een gebrek aan inzicht onzerzijds?

De keuze van te bespreken dichtbundels is uiteraard aan ruimte gebonden. De kwaliteit van de debuten in 2011 was ook niet hoog. Bovendien werden de meeste debuutbundels niet als recensie-exemplaar verspreid, en het merendeel was niet in voorraad in de boekhandel. Steeds meer ook wordt duidelijk dat de grote literaire uitgeverijen maar mondjesmaat ruimte bieden aan nieuwe dichters. Bij de voor de Buddingh’-prijs ingezonden bundels waren vooral uitgaven van kleine, maar dynamische uitgevers zoals Passage en De Contrabas. Niettemin zijn drie van de vier genomineerde bundels toch bij bekende uitgeverijen verschenen.

Zoals gebruikelijk is op de nominaties wel iets af te dingen. Waarom ontbreekt bijvoorbeeld Allard Schröder in het uitverkoren kwartet? Annelies van Hees, Jan de Roder en Xavier Roelens kozen een ruim gevarieerd viertal, al is de academische achtergrond van deze juryleden wel zichtbaar in hun selectie. Hun voorkeur kan worden opgevat als een keuze tegen lyriek in de traditionele zin van het woord. Alleen in De steen vreest mij van Ellen Deckwitz wordt de poëzie nog door verstaanbare klanken gedragen.

De andere drie nominaties tonen vooral verzet tegen poëtische tradities. Vaderland van de Vlaamse dichter Max Temmerman wordt namens Benno Barnard zelfs door de uitgever als ‘lyriekloos’ bestempeld. Michaël Vandebril suggereert, knippend en plakkend, orgeltonen in Het vertrek van Maeterlinck, maar dat levert voor mij geen overtuigende zangen op. En Jeroen Mettes biedt een krankzinnige symfonie van poëtisch proza in N30+. Nieuwe zinnen.

Poetry International

Deze negatieve typeringen laten onverlet dat ik geboeid ben door het karakter van dit geschakeerde kwartet. Vernieuwing lijkt de drijfveer in zeker drie van de genomineerde bundels – zoals vernieuwing ook het sleutelwoord lijkt in de programmering van het Poetry International Festival van dit jaar.

Opmerkelijk is dan wel de nominatie van het werk van Jeroen Mettes. Vernieuwend ja, maar de dichter is al zes jaar dood, dus nieuw werk is niet in aantocht. N 30+ is in feite een dood spoor. Het juryreglement van de Buddingh’-prijs sluit een postume onderscheiding niet uit, maar zo’n bekroning staat wel haaks op de doelstelling om nieuwe dichters te stimuleren in hun werk.

Arjen Fortuin noemde het werk van Mettes in deze krant ‘totaal fascinerend en volkomen onbegrijpelijk, een slecht verlichte achtbaan, een lange kettingbotsing van zinnen waarvan er hooguit een handvol logisch op elkaar aansluit’. Daar is geen woord Arabisch bij, en krek zo is het. Een half jaar lang wierp ik zelf steeds gefascineerd een tien minuten durende lezersblik op de pagina’s van N30+, om snel weer af te dalen naar het eigen huiselijk bestaan.

Wie niettemin ervaren wil wat dit soort ‘Language’-poëzie teweegbrengt, moet donderdag vóór de prijsuitreiking in de Rotterdamse Schouwburg naar de sessies met en over Ron Silliman gaan. Deze Amerikaanse dichter lijkt Mettes’ voorbeeld. Donderdag komt hij uitgebreid aan het woord: in een interview door Samuel Vriezen (een van de samenstellers van Mettes’ nagelaten werk) en met een voordracht van zijn eigen poëzie. Waarschijnlijk leest hij dan ook uit The Alphabet (2008), een duizend pagina’s tellend, overmoedig gedicht over alles.

Het werk van Mettes boeit me wel, maar ik hoop van harte dat de jury een andere winnaar kiest. En dan liefst niet Michaël Vandebril. Diens debuutbundel Het vertrek van Maeterlinck staat stijf van symbolistische pretenties. Dit is het werk van een koekoek die zich nachtegaal waant. Letterlijk dievenwerk nu en dan, met flauwe parafrases zoals ‘wie nu geen schuilplaats heeft zoekt er geen meer’ in het drabbig voetspoor van Rilke. De vijf laatste gedichten zijn voor de helft het werk van Franstalige collega’s, van wie er twee zorgdroegen voor een Gallische vertaling, die de Nederlandse en Vlaamse kopers ongevraagd meekrijgen. En wat een quasi elitaire woordenvloed, zonder dat er wezenlijk iets gezegd wordt. Oorverdovend saai!

Dat geldt niet voor Max Temmerman. Die heeft zeker een verhaal. In Vaderland betreurt hij als 36-jarige dichter ouwelijk de leegheid van het leven. Als een figurant dwaalt hij door de coulissen van zijn eigen weinig realistische bestaan. ‘Aan de lopende band,’ schrijft hij bijvoorbeeld, ‘pleeg ik plagiaat en dus ben ik.’ Het is geen vrolijke bundel, maar droevig stemmend is vooral ook het gebrek aan bestendige beeldtaal. Dat zou deze bundel over ontgoocheling onontkoombaar hebben gemaakt. ‘Het eerste wat er van de doden sterft is de klank van hun stem,’ meldt Temmerman, maar zijn eigen stem klinkt bij leven al te mat om nieuwsgierig te zijn naar meer.

Podiumbeest

Fluisterend bescheiden is de poëzie van Ellen Deckwitz in De steen vreest mij.

Niettemin brak zij met haar stem en voordracht het nationale record van slam-overwinningen. Een podiumbeest dus, maar op papier eerder bedeesd. Bij haar geen taalgeweld, geen pretenties, maar de kwetsbaarheid die poëzie een ziel kan geven. Haar debuutbundel doet verslag van familiebanden met een drankzuchtige moeder, een verdronken broertje en een voorbeeldige grootvader.

Mijn grootvader leidt me rond

in zijn kast, hangt mijn jas op

bij het familieportret en het geweer

terwijl zijn rug zich recht.

De levervlekken lopen leeg.

We maken tijd

een platgeslagen vlieg

op het pasgewassen raam.

Hij neemt me op schoot, vertelt

over onze soort. De Hades in de aderen

die alles schoonwoedt. Het gat tussen

zijn ogen dat zich vol met inkt zuigt

dat zich sluit. Ik kruip tegen hem aan.

Hij knikt, gelooft niet

dat er in mijn ballpoint

ook een kogel zit.

De eenvoud van dit soort tastende regels is verademend na de apendansen van de genomineerde heren. In oktober verschijnt Hoi Feest, de tweede dichtbundel van Ellen Deckwitz. Hopelijk heeft ze dan de Buddingh’-prijs op zak.

    • Arie van den Berg