Snel in volle bloei geknakt

Christoph Wolff: Mozart at the gateway to his fortune. W.W. Norton Co., 272 blz. € 25,70

‘k.k. componist.’ Vanuit ons tijdsgewricht bezien denk je dan aan een verongelijkte concertganger, die per sms een verwensing stuurt aan een in zijn ogen te ontoegankelijk idioom hanterende toondichter. Maar in de dagen van Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) had het voorvoegsel in het geheel geen negatieve bijklank en stond het voor königlich und kaiserlich. Toen aan Mozart in 1787 door de ‘dubbelmonarch’ Joseph II de titel van k.k. Kammerkompositeur werd verleend, schreef hij aan een vriend: ‘Nu sta ik voor de poorten van het geluk.’

Mozart at the gateway to his fortune luidt ook de titel van het nieuwe boek van de vermaarde musicoloog Christoph Wolff. Het boek behandelt de laatste vier levensjaren van Mozart, zijn positie aan het Weense hof en in het muziekleven en zijn duizelingwekkende output.

Christoph Wolff (Solingen, 1940) geniet zijn voornaamste bekendheid als Bachvorser, hij is onder meer directeur van het Bach-Archiv in Leipzig en een van de samenstellers van de Neue Bach-Ausgabe. Al decennialang is hij hoogleraar muziekwetenschap aan de universiteit van Harvard en voorzitter van het Zentralinstitut für Mozart-Forschung in Salzburg.

Met Mozart at the gateway to his fortune wil Wolff het beeld bijstellen dat er over Mozarts laatste levensjaren bestaat. Wie één van de talloze reeds bestaande Mozart-biografieën leest en bij het einde komt, wordt steevast geconfronteerd met de volgende ingrediënten die tot de fatale afloop leiden: een opeenstapeling van totale uitputting en ziekte, teleurstelling en frustratie over uitblijvend muzikaal succes, een omgeving die hem in toenemende mate vijandig gezind is, en zorgen over geld. Dat was al zo in Franz Xaver Niemetscheks Leben des k.k.Kapellmeisters Wolfgang Gottlieb Mozart, de eerste Mozart-biografie uit 1798, die is gelardeerd met anekdotes en persoonlijke observaties uit de eerste hand. Maar ook in recentere studies treft men nog altijd laatste hoofdstukken aan die als titel ‘Mozarts neergang’ dragen.

Afloop

Wolf keert zich tegen de gangbare opvatting dat Mozarts vroegtijdige dood iets onvermijdelijks in zich had, alsof het een reeks van gebeurtenissen betrof met een welhaast voorspelbare afloop. ‘Zijn dood wordt vaak beschouwd als een persoonlijke catastrofe, die vooraf geschaduwd wordt, en terug te horen valt, in sommige aspecten van zijn late werken’, schrijft Wolff. ‘Men gaat er dan gemakshalve aan voorbij dat je bij iemand van midden dertig toch moeilijk van ,,late werken’’ kunt spreken. Maar hoe vreemd het ook is, dit idee van een soort afscheidsnemende geest die rondwaart in de muziek van Mozarts laatste jaren is wijdverspreid en algemeen geaccepteerd. Dus dan lees je bijvoorbeeld over ,,de spookachtig schone, herfstachtige wereld van Mozarts muziek geschreven in 1791, waar de zonnestralen al schuin binnenvallen, om spoedig over te gaan in zonsondergang en schemering’’. Deze opvattingen worden nog versterkt door het beklijvende beeld van een componist die zijn eigen Requiem schrijft, en het geloof dat dit ook het karakter van de muziek heeft beïnvloed.’ Mozarts late werk, kortom, wordt te zeer beschouwd als ‘marked for death’, om de terminologie van zijn 21ste-eeuwse coiffuregenoot even te lenen.

Het beeld dat uit Mozart at the gateway to his fortune oprijst, is niet dat van een bloem die voortijdig is verwelkt, maar van een bloem die in volle bloei is geknakt in de vaas. Een beeld eigenlijk, dat een veel grotere tragiek met zich meedraagt. Wolff zet zijn betoog uiteen op een ietwat droge en formele toon, maar deze sorteert wel een aangename helderheid. Hij legt de feiten één voor één op tafel en laat de lezer zelf een beeld vormen.

Het boek is onderverdeeld in een aantal biografische hoofdstukken en delen waarin wordt ingegaan op de muziek die tussen 1788 en 1791 ontstond. Zeer interessant is het laatste hoofdstuk, waar onder de noemer ‘gecomponeerd, maar alleen nog niet uitgeschreven’ wordt uiteengezet welke stukken Mozart nog op stapel had staan. Het is hier ook waar Wolff het meest nadrukkelijk zijn punt kan maken dat Mozart geenszins klaar was met het leven.

De keizerlijke benoeming van december 1787 betekende voor Mozart een aanzienlijke stap voorwaarts in maatschappelijk opzicht. Het was een betaalde aanstelling met weinig verplichtingen, die hem voldoende vrijheid bood te gaan waar hij wilde, en hem altijd en overal voorzag van het officiële stempel van hofcomponist.

Theater

Wolff poogt aan te tonen dat er als gevolg van deze benoeming ook sporen zijn aan te treffen van een ‘imperial style’ in de muziek van Mozart uit dit tijdvak. Daar valt natuurlijk over te redetwisten. Vast staat wel dat er in deze periode een explosie van creativiteit en vernieuwing plaatshad die Mozarts compositorische kunnen naar een nog hoger plan tilde. Een belangrijk deel van deze muziek kwam echter tot klinken buiten de kringen van het hof. Joseph II was zonder meer een groot muziekliefhebber, zijn bijnaam luidde dan ook ‘de Muzikale Koning’.

Maar slepende oorlogen tegen onder meer het Ottomaanse Rijk hielden hem langdurig weg uit Wenen, en ruïneerden achtereenvolgens zijn gezondheid en de financiële situatie van het land. In 1790 stierf hij en werd hij opgevolgd door zijn broer Leopold, die weliswaar spoedig vrede sloot met de Turken, maar weer niet zo’n muziekliefhebber was.

Voor een flink deel van de tijd was een aanstelling als hofcomponist dus een protocollaire aangelegenheid. Door een aanbod om zich ook te ontfermen over de religieuze muziek aan het hof probeerde Mozart zijn taak te verbreden, maar meer soelaas bood het theater van Emanuel Schikaneder, met wie hij onder meer ‘Der Stein der Weisen’ en ‘Die Zauberflöte’ maakte.

De ontbering en tegenslag waar in verband met Mozarts laatste jaren zo vaak over wordt gerept, worden door Christoph Wolff niet gebagatelliseerd of ontkend. Wel plaatst hij een aantal dingen in perspectief. Minzaam zet hij uiteen dat de financiële perikelen waar Mozart zo onder gebukt ging, geheel te wijten waren aan de exorbitante, aristocratisch aandoende levensstijl die hij erop nahield. Mozart behoorde tot de best betaalde muzikanten van de late 18de eeuw. De jaarlijkse toelage van 800 florijnen van de keizer en het geld dat hij daarnaast als pianist, componist en dirigent vergaarde zou absoluut toereikend moeten zijn. De hoforganist bijvoorbeeld, met een toelage van 300 florijnen, kon er ook goed van leven.

Weergaloos in dit verband is de brief die Mozart schreef aan Puchberg, een van zijn geldschieters. De brief ging vergezeld van een exemplaar van de biografie van Händel, een componist waar Mozart zich graag aan spiegelde. ‘Zij die Händel verwijten er een overmatige genotzucht op na te houden wat betreft zijn eetgewoontes, zouden in overweging moeten nemen dat de eigenaardigheden van zijn gestel evenredig zijn aan de grootheid van zijn genie. Luxe en onmatigheid zijn relatieve begrippen, en zijn afhankelijk van andere factoren naast kwantiteit en kwaliteit. En afgezien van deze overwegingen, is er nog iets dat in zijn voordeel pleit: Ik doel op zijn onuitputtelijke en intense toewijding aan de kunst van de muziek.’

Wolff weet je te vertellen dat de Händel-biografie in kwestie de Duitse editie van het uit 1760 daterende boek van John Mainwaring was, de eerste biografie die er ooit over een muzikant was verschenen, en dat Mozart het boek op zijn beurt hoogstwaarschijnlijk cadeau kreeg van baron Van Swieten, ter voorbereiding op een avond met Händels oratoria.

In Mozart at the gateway to his fortune wordt een weldadige karrenvracht aan feiten over de lezer uitgestort, door een auteur die merkbaar zeer diep in de materie is ingevoerd. Brieffragmenten, hofkronieken, dagboeknotities en krantenberichten worden aaneengeregen met bespiegelingen over muzikale thema’s en de wijze waarop één bepaalde zin uit een operalibretto is verklankt. Het boek beoogt geen echte biografie te zijn, noch een exegese vol musicologische haarkloverijen. Mede daardoor ontstaat een levendig verhaal over een turbulente tijd, waarin een turbulent creatief genie werkzaam was.

De hitziges Friesel Fieber die Mozart in december 1791 fataal werd, was in essentie een zware infectie. Daar kon je in die dagen aan doodgaan, maar je kon er ook zomaar van genezen. Dat opent natuurlijk de deur naar speculaties omtrent wat Mozart nog voor moois had geschreven als hij langer had geleefd. Of waar hij was geëindigd, misschien wel heel ergens anders. Zoals zijn librettist Lorenzo da Ponte, die zich als wijn- en boekverkoper in New Jersey vestigde en in 1833 in New York de Italian Opera House oprichtte.

Bij het hoofdstuk ‘gecomponeerd, alleen nog niet uitgeschreven’ van het boek, hoort een website waarop onafgemaakte stukken kamermuziek te beluisteren zijn. Je kent de muziek niet, maar hoort meteen dat het Mozart is. Juist het schetsmatige ervan maakt het zeer aangrijpend. En hoe de muziek desintegreert naar het einde toe. De viool speelt nog even onverdroten voort, de altviool en cello geven nog slechts af en toe wat kleine veegjes op de hoekpunten. Er vallen steeds grotere gaten. Dan houdt het op.

http://www.people.fas.harvard.edu/~cwolff/

    • Rob Zuidam