Met knuffeleten kom je er niet

Nederlanders zijn weer duurzamer gaan eten, bleek gisteren uit een Wagenings onderzoek. Toch maakt ethisch geproduceerd voedsel maar een fractie uit van de voedselmarkt als geheel. Nieuwe voedselboeken buigen zich over de keuzes die we maken, en over de toekomst van onze dagelijkse maaltijd.

Karen Duve: Fatsoenlijk Eten. Mijn leven als Proefkonijn. Vert. Gerda Meijerink. Cossee, 335 blz. € 21,90

Tyler Cowen: An Economist gets Lunch. New Rules for Everyday Foodies. Dutton, 295 blz. € 25,-

Maaike Lauwaert ea (red): Food for The City. A Future for The Metropolis. NAi Publishers, Stroom Den Haag, 255 blz. € 24,50

Wel of niet kopen, die biologische appeltjes uit het verre Nieuw-Zeeland? Kunt u die verantwoorde, zelf slachtende slager met zijn gezellige kraampje op de biologische markt vertrouwen op zijn mooie blauwe ogen? Wel of geen asperges uit Peru?

Voorbij zijn de tijden dat je gedachteloos je supermarktkarretje kon volladen. Als het om eten gaat is ethiek – productiewijze, arbeidsomstandigheden, herkomst – een geloofsartikel geworden. Vleesloze maandag, verboden vissoorten, alleen lokaal, alleen uit het seizoen, alleen onverpakt voedsel – marketeers, auteurs en wetenschappers proberen om het hardst ons de weg te wijzen. De stapel eetboeken die geen kookboeken zijn blijft groeien.

Heel anders is dat bij andere dingen die we aanschaffen, zoals kleren, financiële producten of elektronica. Maar eten staat ons nu eenmaal na; iedereen heeft er een mening over. En bij eten heeft principieel zijn een prettige bijkomstigheid. Eten dat zorgvuldig geproduceerd is, is vaak exclusief en lekker.

Hoewel – het relaas van de Duitse publiciste Karen Duve is wat dat betreft weinig hoopgevend. Deze lukraak boodschappen inladende romanschrijfster besluit op een dag door de morele verwijten van een vriendin zichzelf steeds stringentere beperkingen op te leggen als het om haar voedsel gaat. Eerst koopt ze alles biologisch, daarna wordt ze vegetariër, dan veganist en ze experimenteert zelfs een tijd met het fruitarisme. Dit is een zeldzaam dieet (of moeten we zeggen: een aandoening) waarbij alleen die plantendelen worden gegeten die de plant zelf afstaat. In Duves geval komt dat er op neer dat ze zich bijna alleen nog voedt met erwten in kokosmelk. Doel van het experiment is niet helemaal duidelijk, waarschijnlijk vooral: een leuk boek schrijven.

Duve kan de zaken lekker aanzetten. ‘Een gulzige, houten marionet zonder geweten’ noemt ze zichzelf aanvankelijk, ze stopt eenvoudigweg alles naar binnen wat haar voor de mond komt, voornamelijk snoep, koekjes, Cola light en goedkoop vlees. In een paar honderd bladzijden voltrekt zich vervolgens de transformatie tot een behoorlijk ascetische levenswijze, waarbij ze zo fanatiek wordt dat je je afvraagt of er ook zoiets bestaat als een verslaving aan het eigen morele gelijk.

Duve houdt zelf dieren, wat natuurlijk alle aanleiding geeft tot geestige en wrange contrasten. Kan een veganist de kat een wormenkuurtje geven? De horzels doodslaan die zijn muildier kwellen? En hoe groot is niet de tegenstelling tussen de varkens in de bio-industrie en de zorgvuldige behandeling van haar oude hond met kanker?

Uiteindelijk, concludeert ze, komt alles neer op de rol die de meest dominante soort op aarde toeschrijft aan zichzelf. Geeft zijn zeer ontwikkelde brein de mens meer rechten of juist meer verantwoordelijkheid jegens andere soorten en de aarde als geheel? De geheel bekeerde Duve kiest hartstochtelijk voor het laatste en doet haar leren zadels, leren schoenen en hoornen kam de deur uit. ‘De mens met de zorg voor de aarde belasten betekent: de kat op het spek binden’, schrijft ze. En over de dominantie van de mens: ‘Niet het beste dier overleeft, maar het agressiefste, hebzuchtigste, vreselijkste en gemeenste dier.’

Hedonisme

Niet iedereen stelt prijs op zulke veroordelend moralistische teksten. Integendeel, de calvinistische, klassieke geitenwollensokken aanpak stuit zelfs velen tegen de borst. Moderne wereldverbeteraars weten al lang dat je mensen beter kunt aanspreken op hedonisme, hun consumptiereflex als het ware moet inzetten voor het goede doel. Die weg bewandelt de Amerikaanse restaurant-criticus Tyler Cowen dan ook in zijn boek An Economist gets Lunch. Driekwart van zijn boek gaat erover hoe je een goed restaurant kan herkennen en wat je er wel of niet zou moeten bestellen om het beste eten te krijgen tegen de laagste prijs. Dit economisch hedonisme is volgens hem de ethisch zuiverste houding, omdat het slecht eten, zoals junkfood en fout vlees, automatisch uit zou sluiten. Maar dat is natuurlijk al te utopisch en makkelijk gedacht; niet iedere Amerikaanse steakliefhebber wordt vanzelf een fijnproever met een voorkeur voor gewokte groente uit kleine Aziatische tentjes. En spontaan zullen al die (Amerikaanse) kinderen met overgewicht niet beter gaan eten, laat staan minder.

Verder zet Cowen zich sterk af tegen de Amerikaanse alternatieve voedselbeweging die zich sinds ongeveer een decennium tegen de grote landbouwbedrijven keert. De agribusiness, zo is de redenering, componeert ons supermarktaanbod uit de goedkope grondstoffen soja, vet, zout en suiker en is daarom mede verantwoordelijk voor verlies aan biodiversiteit, oprukkende suikerziekte en obesitas en nog een hele zwik problemen. Zelf geeft Cowen liever de overheid de schuld van alles, maar provocatie gaat hem daarbij voor de feiten. Het kan heel goed zijn dat de drooglegging in de Verenigde Staten uit de jaren twintig, een overheidsmaatregel, een rol speelde bij de opkomst van de fastfoodcultuur (goede restaurants konden niet meer verdienen aan drank). Maar wie de hele geschiedenis van de naoorlogse opkomst van de kunstmestindustrie ongenoemd laat, stelt de zaken wel een beetje scheef voor. Het lijkt erop dat Cowen het voedseldebat wil betrekken in de Amerikaanse culture wars en in de politieke tweespalt over de rol van de overheid daar. Dat helpt de zaken niet vooruit.

Anderzijds maakt Cowen korte metten met al te simpele opvattingen. Niet alles wat lokaal geproduceerd is, is ook milieuvriendelijker. En ja, anders dan veel producenten van knuffelvoedsel doen voorkomen, zit er spanning tussen milieubelasting en economische ontwikkeling, of tussen dierenleed en klimaat. Wie liever geen Peruaanse asperges eet, treft daar de boeren. Biologisch varkensvlees is slechter voor het milieu dan varkensvlees uit de bio-industrie.

Waar moet het dan heen, met de wereldbevolking op weg naar 9 miljard zielen in 2050 en een steeds groter beslag op land, water en grondstoffen? Precies dat onderzoekt de publicatie Food for the City, a Future for the Metropolis, bedoeld ter afsluiting van een twee jaar durend onderzoeks- en kunstproject van het Haagse kunstcentrum Stroom. Het mooi uitgevoerde boek volgt zo’n beetje de voedselketen. In de fotokaternen en grafieken gaat het van zaden naar afval, in afzonderlijke essays geven urbanologen, boeren, technologen en activisten hun blik op de toekomst. Dat maakt het boek fragmentarisch en wat lukraak, maar sommige scenario’s zijn intrigerend: CO2-neutrale, verticale boerderijen in wolkenkrabbers in de stad, buizensystemen om voedseltransport goedkoper te maken en de eerste ecologische stad van China.

Eiwitten

Toch: de visioenen van activisten en architecten – rechtvaardige voedselverdeling, slimme, arbeidsintensieve landbouw en regionale netwerken, minder dierlijke eiwitten – blijven hemelsbreed verschillen van die van de technologen en CEO’s: meer agribusiness, meer gentech, meer eenvormigheid en machtsconcentratie. Echte oplossingen ontstaan alleen als die kloof op zo milieuvriendelijk mogelijke manier gedicht wordt. Gentech alleen is niet genoeg, knuffeleten alleen ook niet.

Rest de vraag of consumenten op dit proces nog enige invloed kunnen uitoefenen. In Food for The City betwijfelt filosoof Huub Dijstelbloem dit; voedselketens zouden te complex zijn om ‘stemmen met je vork’ tot een zinnige strategie te maken. Toch kan simplisme soms heel effectief zijn; had demissionair staatssecretaris Bleker ook een bovengrens aan megastallen opgelegd zonder maatschappelijke druk? Dat de tegenstanders Duve en Cowen min of meer tot dezelfde basisgevolgtrekkingen komen als het om ethisch eten gaat, wijst er ook op dat niet alles zo complex is als filosofen misschien zouden willen. Zo min mogelijk vlees, zuivel en junkfood. Geen voedsel weggooien en een beetje letten op hoe je boodschappen geproduceerd zijn. Behoorlijk eenvoudig, eigenlijk. En nog gezond ook.

    • Maartje Somers