Marmer kan je veilig liefhebben

Jan-Willem Anker Foto Petra van Vliet

Jan-Willem Anker: Een beschaafde man. De Arbeiderspers, 366 blz. € 21,95

In 1799 reist de Schotse edelman Lord Thomas Bruce, graaf van Elgin, als Brits ambassadeur naar Constantinopel. De diplomatieke post bij de Ottomaanse sultan, bondgenoot in de oorlog tegen Napoleon, geeft hem de kans op het najagen van zijn droom. Hij wil de onschatbare klassieke kunstwerken op de Acropolis van Athene voor de beschaving redden.

Het zorgvuldig gebeeldhouwde romandebuut van Jan-Willem Anker (1978) vertelt het verhaal achter de Elgin Marbles. De geschiedenis daarvan is in grote lijnen bekend bij iedereen die wel eens in Londen het British Museum of in Athene het Acropolis Museum heeft bezocht. Meer dan de helft van de marmeren sculpturen die ooit het Parthenon sierden en één van de kariatiden van het Erechtheion zijn te bewonderen in Londen, het Griekse museum moet zich met kopieën behelpen.

Waar hoort het culturele erfgoed van de mensheid thuis? Het debat daarover, dat alle musea in het Westen raakt, woedt in alle hevigheid. Was Elgin, die tonnen marmer liet weghakken en verschepen, een vandaal, een zelfingenomen, verwaten cultuurbarbaar, die onder het mom van kunstliefde een arm, corrupt land van zijn kunstschatten beroofde? Of heeft zijn geborneerdheid van Brits edelman, zijn minachting voor de Ottomaanse barbaren en achterlijke Griekse gauwdieven, zijn imperialistische roofzucht de verwaarlozing en verwoesting van de klassieke sculpturen voorkomen? En werd hij daarbij gedreven door een fascinatie met schoonheid en liefde voor de kunst?

In Een beschaafde man onthoudt Anker zich van een moraliserend antwoord op deze vragen. Dat is een verschil met de aan dit boek verwante ideeënroman van Susan Sontag, The Vulcano Lover. Anders dan in het boek van Sontag (haar personages spelen bijrollen in Een beschaafde man), is het thema ‘beschaving versus barbarij’ voor Anker geen politieke of morele kwestie. Hij veroordeelt noch rechtvaardigt zijn hoofdpersoon, maar beschrijft diens keuze voor het origineel en tegen de kopie. Een keuze die Elgin zelf zal ruïneren, niet alleen financieel, maar ook fysiek en psychologisch. Anker weet dankzij een precieze stijl en woordkeuze bijzonder effectief de geestestoestanden en stemmingen van de even geborneerde als naïeve graaf op te roepen.

Deze had besloten zijn leven te wijden aan het heil van de Britse kunsten. ‘In Griekenland bevond zich de oorsprong van een droom die door hem zou worden verwezenlijkt.’ Van zijn liefde voor het marmer – of was het bezitsdrang? – was hij even zeker als van zijn liefde voor zijn vrouw Mary. Mary is de dochter van een Schotse grootgrondbezitter, wiens kapitaal Elgin nodig heeft voor zijn Griekse project. Hij houdt oprecht van zijn veel jongere vrouw, die hij anders dan het geval was bij eerdere relaties met vrouwen, ‘eigenhandig veroverd’ had. Maar zijn liefde voor Mary, die aanvankelijk volledig meewerkt aan de verwezenlijking van Elgins droom, botst met zijn liefde voor het marmer zelf. ‘Marmer kon je veilig liefhebben. Marmer bedroog je niet.’

Eerst wil Elgin de kunstwerken in Athene laten schetsen en kopiëren als voorbeeld voor Britse kunstenaars en om mee te pronken op zijn landgoed. Daarvoor krijgt hij toestemming van de sultan tijdens een als zuivere slapstick beschreven ontmoeting met de Ottomaanse heerser.

Eenmaal bezig wil de Brit geen genoegen meer nemen met fletse kopieën. Het is Mary die dat constateert: ‘Voor hem is een kopie tegenwoordig niets meer dan een fantasie, een tot mislukken gedoemde poging tot nabootsing, een loze verdubbeling van beelden in een wereld die daar prima zonder kan’, schrijft zij uit de Oriënt aan haar moeder in Schotland. Het gevolg: tonnen marmer worden los gebikt, het Parthenon meedogenloos ontmanteld.

Het is wel degelijk Elgins bedoeling de kunstschatten veilig te stellen. Ze verkommeren, ze wachten op een reddende hand, worden vermalen tot mortel of meegenomen door westerse reizigers. De plaatselijke bevolking verzet zich tegen de verwijdering van sculpturen, die zij soms als heiligdommen vereren. Neerbuigend tot op het racistische af verwerpt de arrogante Schot het bijgeloof van de Grieken. ‘Het bloed van de Grieken moet in de loop der eeuwen zijn vergiftigd met dat van de Turken en de Arabieren waardoor een betreurenswaardig bastaardvolk is ontstaan.’ Met hun verontreinigde bloed zijn zij een volk geworden van onbetrouwbare gauwdieven. Dat klinkt actueel.

Bij een bezoek aan Athene voelt Elgin zich als iemand die het geheim van tijd en licht op het spoor was, hoe geschonden door mensen, aangetast door de elementen en overwoekerd door onkruid de ruïnes van het Parthenon ook waren. Zelf draagt hij een masker omdat zijn neus wegens een geheimzinnige aandoening operatief is verwijderd. Zijn gezicht is geschonden zoals het Parthenon en zoals zijn liefde geschonden zal worden.

Er voltrekt zich sluipenderwijs een subtiel beschreven verwijdering tussen de echtelieden. ‘Je had met die beelden moeten trouwen in plaats van met mij!’, roept Mary. Ze is gaan walgen van haar echtgenoot met zijn geschonden gezicht. Zij vindt dat hij haar als weinig meer dan broedkip bejegent.

Het onbarmhartige noodlot voltrekt zich – uiteraard als in een Griekse tragedie – aan de flegmatieke en tegelijk geobsedeerde Elgin. Zijn leven wordt een ruïne. Het was de dichter Byron die zijn tijdgenoot Elgin aanklaagde als tempelplunderaar. De stanza’s uit Byrons Childe Harold over de kunstroof zijn door Jan-Willem Anker vrijmoedig vertaald. Soms zien wij Anker, die eerder drie goed ontvangen poëziebundels publiceerde, als dichter aan het werk. (De zon boven het Parthenon brandde hevig, ‘een schreeuwend kuiken van licht’). Een fraaie metafoor, maar nooit te veel: wij hebben er een romanschrijver bij.

    • Elsbeth Etty