Jhr. D.J. de Geer was niet zo fout

Uit een nieuwe biografie van de vooroorlogse premier De Geer blijkt dat deze slachtoffer is geworden van een te gemakkelijke oordeelsvorming door naoorlogse historici. Nederland kan nu zijn eigen ‘Historikerstreit’ gaan voeren.

[Oud-] minister-president jonkheer Dirk-Jan de Geer achter zijn bureau. Hij regeerde van 8 maart 1926 t/m 10 augustus 1929. zonder jaartal.;

Meindert van der Kaaij. Een eenzaam staatsman, Dirk de Geer. Uitgeverij Verloren, 518 blz., € 45,-

Het is ongeveer het ergste dat een biograaf kan overkomen: tijdens het project ontdekken dat een ander met exact hetzelfde onderwerp bezig is. Trouw-journalist Meindert van der Kaaij, al jaren werkend aan het levensverhaal over de na de Tweede Wereldoorlog verguisde minister-president Dirk de Geer, overkwam dit in 2007 toen hij halverwege zijn promotieonderzoek was. Dat jaar publiceerde de arts Henk van Osch onder de titel Jonkheer D.J. de Geer, de teloorgang van een minister-president zijn vuistdikke biografie van de CHU-politicus.

Van der Kaaij vreesde even dat zijn werk hiermee ‘nutteloos’ was geworden. Maar na lezing van het veel geprezen boek van Van Osch zag hij er juist een aansporing in om door te gaan. Van der Kaaij ontdekte dat zijn ‘concurrent’ bij diens eindconclusie over De Geer in grote lijnen de negatieve oordelen van naoorlogse geschiedschrijvers als Loe de Jong en Cees Fasseur had gevolgd. Maar het waren juist deze uitgesproken oordelen die Van der Kaaij nader wilde onderzoeken. In zijn boek Een eenzaam staatsman waarop hij vorige week in Leiden promoveerde, komt Van der Kaaij tot een veel genuanceerdere conclusie over het handelen van De Geer en stelt hij de nodige vraagtekens bij de bewijsvoering van de critici. In zijn woorden is De Geer na de oorlog ‘levend begraven’. Wat niet wil zeggen dat zijn biografie nu een complete rehabilitatie is – verre van dat. Wel een felle aanklacht tegen de gemakkelijke oordeelsvorming van na de oorlog.

Duitse inval

Het gevolg is dat vijf jaar na het boek van Van Osch Nederland zijn eigen ‘Historikerstreit’ kan gaan voeren rond de persoon De Geer. Hij was de minister-president die in mei 1940 na de Duitse inval met zijn kabinet naar Londen vluchtte en in september van dat jaar door koningin Wilhelmina vanwege zijn defaitistische houding tegenover de Duitsers werd ontslagen. Hij keerde terug naar Nederland en publiceerde in 1942 zijn geschrift ‘De synthese in den oorlog’ die door velen werd gezien als een overgave. In 1947 werd De Geer, na eerst een zitting van het Bijzonder Gerechtshof uiteindelijk door de Raad van Cassatie wegens samenwerking met de vijand veroordeeld tot een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf en een drie jaar durend verbod om zich buiten zijn woonplaats Soest te verplaatsen. Enkele weken daarna werd De Geer nog de titel minister van Staat ontnomen en moest hij een paar jaar later zijn ridderordes inleveren. Tenslotte, zo schreef Jan Blokker vijf jaar geleden, strafte God De Geer ook nog eens door hem ‘in deze ontluisterde staat tot 1960 te laten doorleven’.

Hoe fout was De Geer? Goed fout in de ogen van De Jong en Fasseur die beide begrip hadden voor het besluit van Wilhelmina om, tegen de zin in van een groot aantal ministers en onder het dreigement van een constitutionele crisis, De Geer in 1940 uit zijn functie te ontheffen. Volgens Fasseur (in zijn in 2001 verschenen biografie over Wilhelmina) is het ‘achteraf moeilijk te begrijpen hoe in de donkerste uren van de Nederlandse geschiedenis, in het voorjaar en de zomer van 1940, zoveel persoonlijke loyaliteit kon bestaan jegens een minister-president van wie iedereen wist dat hij voor zijn taak als leider van een kabinet en van een land in oorlog totaal ongeschikt was.’

Was dat wel zo, vraagt Van der Kaaij zich af. Hij wijst in zijn boek uitvoerig op de grote staat van dienst die De Geer als politicus in de vooroorlogse periode had opgebouwd welke hem een haast staatsmanachtige allure had opgeleverd toen hij in 1939 op 70-jarige leeftijd als premier aantrad. ‘De kwaliteiten van De Geer zijn na de oorlog consequent slechter voorgesteld dan zij in werkelijkheid waren geweest’, schrijft hij. Onder de bekeerlingen rekent hij ook tal van collega-ministers die ‘helemaal niet zo ontevreden over De Geer waren als zij na de oorlog deden voorkomen.’

Vredesregeling

Enkele cruciale, aan De Geer toegeschreven misstappen liggen volgens Van der Kaaij toch net een slag anders dan tot nu toe is voorgesteld. Zo is er het hardnekkige verhaal dat De Geer min of meer in zijn eentje een separate vredesregeling met de Duitsers voorstond. Maar dat was aanvankelijk niet zíjn voorstel, concludeert Van der Kaaij, maar van de eveneens uit de CHU afkomstige minister Van Rhijn (Landbouw). Een idee bovendien dat ook door diverse andere ministers ondersteund werd, maar uiteindelijk niet werd doorgezet.

Ook is er het verhaal over het eerste bezoek van De Geer samen met minister Van Kleffens van Buitenlandse Zaken aan de Britse premier Churchill. Een bezoek waarbij De Geer, aldus Van Kleffens na de oorlog, een ‘allerakeligsten indruk’ had gemaakt. De Geer zou gesproken hebben over een vredesregeling tussen Engeland en Duitsland, iets waar Churchill op dat moment nog lang niet aan toe was. Volgens Van Kleffens zou de weinig strijdbare houding van De Geer Churchill zeer verbaasd hebben, wat gevolgen had voor diens waardering voor Nederland. Maar in door Van der Kaaij gevonden notitie die Churchill over dit gesprek maakte, is hierover niets terug te vinden. Integendeel, Churchill schrijft slechts door de twee ministers te zijn overtuigd van de noodzaak in Engeland een Nederlands leger op te richten om de strijd tegen Duitsland voort te zetten.

Betekent dit dat het oordeel over De Geer in het verleden gebaseerd was op verkeerde feiten. Dat zou toch zeer ernstig zijn en lijken op Diederik Stapel-achtige toestanden, stelde hoogleraar Ruud Koole bij Van der Kaaijs verdediging van het proefschrift bezorgd vast. Zo ver wilde de promovendus niet gaan. Het ging volgens hem niet zozeer om nieuwe feiten, maar om een andere interpretatie van de feiten. Deze helder geschreven nieuwe biografie verandert het bestaande beeld van De Geer dan ook niet compleet. De Geer was slachtoffer van de zwart-wit benadering die de Nederlandse oorlogsgeschiedschrijving lange tijd kenmerkte. Net als bij veel anderen die nadien aan een nadere beschouwing zijn onderworpen heeft het zwarte beeld over De Geer er een grijstint bij gekregen.

    • Mark Kranenburg