Je leeft pas als je draalt

Weekblad ‘Humoristisch Album’ (1855-1916)

C.J. Aarts & M.C. van Etten: 175 jaar Nijgh & Van Ditmar. Nimmer dralend 1837-2012. Nijgh & Van Ditmar, 512 blz. € 45,–

Citaten zijn in het jubileumboek van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar in steenrood gedrukt. Daardoor wordt je blik al op de eerste pagina getrokken naar de dood van de Rotterdamse notaris Johannes Nijgh in 1816, ‘nalatende vier zeer jonge Kinderen, welke hun verlies nog niet kunnen beseffen’. De jongste van die vier was Henricus Nijgh, amper een half jaar oud. Hij is de voornaamste held in het door C.J. Aarts en M.C. van Etten gemaakte jubileumboek van de uitgeverij die deze week zijn 175-jarig bestaan viert.

De eerste Nijgh begint op zijn 21ste een boekhandel en een jaar later, in 1837, een uitgeverij die van start gaat met Het Klaverblad. Oorspronkelijke verhalen aan de geschiedenis des vaderlands ontleend door Adriaan van der Hoop jr. De nieuwbakken uitgever dendert dadelijk door. Hij richt in 1843 een krant op (de Nieuwe Rotterdamsche Courant) en voegt daar drie jaar later, net na zijn dertigste, een advertentiebureau aan toe. In hetzelfde jaar neemt hij een zekere W.N.J. van Ditmar aan als baas van de administratie van de krant. Enige jaren later worden ze compagnons en zijn de namen Nijgh & Van Ditmar samengeklonken in de Nederlandse boekgeschiedenis.

Bij zo veel daadkracht is het motto van de uitgeverij – Nimmer Dralend – een understatement. Intussen wordt precies dat motto al in het begin gerelativeerd door Nescio, die schreef: ‘Wat akelig, iemand die nooit draalt. Je leeft pas als je zoo’n beetje draalt.’ Er valt veel te dralen in dit prachtboek, waarin de hedendaagse succesauteur Arnon Grunberg niet meer dan een voetnoot hoeft te zijn.

Moppenboek

Je ziet hoe de uitgeverij zich stap voor stap een plaats verwerft in de wereld. Door een jaarlijks moppenboek (Humoristisch album, vanaf 1855) en de diepe verlangens opwekkende brochure Iets over Rigting der lijnen en over de te maken bruggen in het ontwerp van de regeering voor het aanleggen van spoorwegen (1860).

Maar evenzeer door na een harde strijd de vertaalrechten van Charles Dickens’ Dombey en Zoon in 1847 te verwerven. En door Multatuli om een stuk te vragen ter ondersteuning van de slachtoffers van een Indische overstroming, waarna deze de eerste pagina van Wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb! gebruikt om uitgever Nijgh de oren te wassen over een negatieve recensie in een van zijn andere publicaties: ‘want het staat duidelijk in den Tijdspiegel, dat ik niet schrijven kan, en niet van schrijven houd’.

Zo gaat de pendule heen en weer tussen de nuttige uitgaven en de noodzakelijke literatuur. Tegenover elkaar vind je dan in 1938 Bordewijks Karakter en Dr. Georg Harte’s Rhytmisch huidborstel systeem – je gaat denken dat het hier om een wellness-totaalpakket gaat.

De jaren dertig (waarin Nijgh & Van Ditmar ook Forum uitgeeft) zijn toch al een absolute bloeiperiode in vorm en inhoud, waarin het ene omslagontwerp nog mooier is dan het andere. Of ze nu van Hans-Detlev Voss zijn, van P.A.H. Hofman, Menno Huizinga of Tine Baanders.

Na de grootste bloei komt de hardste klap. Op 12 mei 1940, twee dagen na de Duitse inval, wordt de directeur van Nijgh, Doeke Zijlstra, op straat door een sluipschutter doodgeschoten. Twee dagen later bombarderen de nazi’s Rotterdam en worden de drie gebouwen van het bedrijf van de kaart geveegd. ‘De uitgeverij was in één klap foetsie’, zei Alfred Kossmann. ‘Doeke dood, al mijn boeken verbrand, want het ganse gebouw op de Wijnhaven is uitgebrand’, schreef Gerard Walschap.

Horten en stoten

De naoorlogse wederopstanding voltrok zich vervolgens vanuit Den Haag; sinds 25 jaar is het bedrijf in Amsterdam gevestigd. Waarbij het met horten en stoten gaat, signaleren Aarts en Van Etten, die voor de moeizame jaren zeventig de hoofdstuktitel ‘Immer dwalend’ gebruiken. Het is inderdaad een periode waarin het jubileumboek toont dat lelijke boekomslagen lelijk blijven, ook als je ze mooi afdrukt.

Over drukken gesproken: niet alleen alle prachtige reproducties, maar ook de vlekkeloze uitvoering van dit boek maken maar weer eens duidelijk wat de drukkunst vermag. Inderdaad worden de plaatjes niet groter als je je vingers erover spreidt, maar verder heb je maar één vrees: dat ons over 25 jaar bij het 200-jarig bestaan van de uitgeverij alleen maar een handvol gigabytes zal worden toegeworpen. Erger: dat er over dit prachtboek gezegd zal worden: ‘nalatende een generatie papierlezers, welke hun verlies nog niet kunnen beseffen’.

    • Arjen Fortuin