Ineens houdt de stad op

Creatieven, kunstenaars en andere netwerkers van de kenniseconomie willen cafés, restaurants en dichte bebouwing. Geen brede lanen met woonblokken in de open ruimte die na 1945 als ideaal golden. Dat betekent dat de uitbreiding van de stad tegen zijn grenzen aanloopt.

Iedere keer is het een vreemde ervaring: het ene moment fiets je door de stad, het volgende ben je in niemandsland. Abrupt houden de besloten straten op en beginnen de onbestemde, open ruimtes, met parkeerterreinen en groene perken waar tussen bomen door, anonieme bebouwing schemert.

De ‘onstad’ is bereikt.

In Amsterdam kun je deze ervaring op verschillende plekken beleven, schrijft de Amsterdamse stadsgeograaf Jos Gadet in zijn onlangs verschenen boek Terug naar de stad. Geografisch portret van Amsterdam. Vooral waar vóór 1940 de grens van de vooroorlogse stad was, doemt steeds de ‘onstad’ op.

Ga bijvoorbeeld naar het einde van de Aalsmeerweg in Amsterdam-Zuid. Kijk in de richting van het centrum en je ziet traditionele, bakstenen woningblokken, met op de begane grond winkel- en bedrijfsruimtes. Maar draai je je vervolgens om, is de stad verdwenen. Na een rotonde die vaag lijkt op een plein, is de straat veranderd in een soort snelweg door het groen.

Het oplossen van de stad met zijn besloten straten in onbestemde, doodse ruimtes, is het gevolg van de naoorlogse stedenbouw. Na 1945 maakte Cornelis van Eesteren (1897-1988), een van de beroemdste Nederlandse stedenbouwers van de twintigste eeuw en directeur van de Amsterdamse dienst Stadsontwikkeling, in Amsterdam een radicaal einde aan de traditionele stedenbouw. De benauwdheid van de oude stad moest plaatsmaken voor de trits licht, lucht en ruimte van de Nieuwe Tijd, vond Van Eesteren, en vele Nederlandse stedenbouwers in die tijd met hem.

In plaats van nauwe straten met gesloten woningenblokken moesten brede wegen komen, met daarlangs blokken in de open ruimte, zo decreteerde Van Eesterens Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam. Daarom eindigen nu overal in Amsterdam straten die vanuit het centrum naar buiten uitwaaieren, in een onstad.

Lange tijd was de onstad geen probleem. Het centrum was er voor de theaters, bioscopen, cafés en ander vertier, en dat was genoeg. Bovendien kreeg Amsterdam in de jaren zestig en zeventig steeds minder inwoners: Amsterdammers gingen naar Almere, Purmerend en andere overloopgemeenten.

Maar sinds 1985 groeit Amsterdam weer, de laatste jaren zelfs met jaarlijks 10.000 inwoners. „De belangrijkste oorzaak van de groei is de bloei van de kenniseconomie, de pijler van de hedendaagse bedrijvigheid in Amsterdam”, legt Jos Gadet, hoofdplanoloog bij de Amsterdamse Dienst Ruimtelijke Ordening, uit in zijn kantoor in de Wibautstraat. „Die trekt veelal jonge mensen aan, die werken in onder meer de creatieve beroepen en de it.”

Een bijzondere eigenschap van de kenniswerkers is dat ze niet van de onstad houden. Ze gedijen het best in een levendige stad met allerlei voorzieningen, die van oudsher in het centrum voorkomen. „Dat is eigenlijk een heel onverwachte ontwikkeling”, zegt Gadet. „Toen internet en de it twintig jaar geleden opkwamen, verwachtten veel geografen dat mensen steeds meer thuis zouden werken.” In een oude boerderij in Maastricht kon je met je computer en internet net zo goed werken als in een kantoor in de Amsterdamse grachtengordel, was hun gedachte. Er werd zelfs een begrip voor verzonnen: het boerderijmodel. Maar van telewerken vanuit Zuid-Limburgse boerderijen is niets terechtgekomen. „Verrassend genoeg blijkt dat juist de kenniswerkers afhankelijk zijn van persoonlijke ontmoetingen”, zegt Gadet. „Die hebben ze in de nieuwe koffiehuizen als die van de Coffee Company. Of in een restaurant als Dauphine bij het Amstelstation. Daar staan ze ’s ochtends om 9 uur voor de deur om er met hun laptops neer te ploffen.”

Probleem van de onstad is dat de nieuwe koffiehuizen, hippe restaurants en andere ontmoetingsplekken niet gedijen in buurten met vooral woningen en veel open, groene ruimtes en groen. „Nee, ze vestigen zich in buurten met een dichte, gevarieerde bebouwing, die allerlei functies toelaat. In Amsterdam zag je ze dertig jaar geleden eerst opkomen in de Pijp, de volksbuurt net buiten het oude, 17de-eeuwse centrum. Daar was een groot deel van de oorspronkelijke bevolking in de jaren zeventig vertrokken naar overloopgemeenten. Hun plek was veelal ingenomen door studenten en kunstenaars die er goedkope appartementen vlak bij het centrum konden huren. Vervolgens kwamen er ook studentencafés en eethuizen in de Pijp. Dat bleek heel goed mogelijk. Lange tijd hadden stedenbouwers de goedkope arbeidershuizen verguisd en wilden ze die het liefst allemaal slopen. Maar juist die huizen bleken heel makkelijk van functie te kunnen veranderen. Hierdoor is de Pijp nu een populaire buurt waar de huizenprijzen bijna even hoog zijn als in de grachtengordel.”

Niet alleen de Pijp werd een uitbreiding van de oude binnenstad. Andere buurten binnen de ringweg A10 volgden en werden levendige buurten met tal van cafés, koffiehuizen en restaurants: Oud-West, Westerpark, de Watergraafsmeer en Amsterdam-Oost. „Nu is zelfs Bos en Lommer, tot voor kort een Vogelaarwijk, in opkomst”, zegt Gadet.

Dat zelfs Bos en Lommer nu een levendige, binnenstadachtige wijk wordt, betekent dat het ‘uitrollen’ van de binnenstad nu op zijn grens stuit. Die grens is niet de ringweg A10 die wordt gezien als de scheidslijn tussen wit en zwart Amsterdam: het gebied binnen de ringweg wordt steeds het domein van de witte middenklassers en creatievelingen, daarbuiten overheersen de allochtonen, is de algemene opinie onder onderzoekers. „Nee, de uitbreiding van de binnenstad stuit al honderden meters vóór de ringweg op zijn grenzen, zoals je op de punten waar de stad verdwijnt kunt zien”, zegt Gadet. „Dit betekent dat ook de groei van de kenniseconomie zijn grens nadert. Kenniswerkers vestigen zich echt niet in buitenwijken met alleen maar woningen in het groen en hier en daar kantoortorens.”

Gadet leidt daarom een onderzoek naar de onsteden in de buurt van de ringweg met als vraag hoe deze binnenstadachtige buurten kunnen worden. „Bij de stedelijke vernieuwing is het respect van de ontwerpers voor het originele ontwerp van Van Eesteren nog veel te groot, is mijn persoonlijke mening. Voor het maken van een levendige stad is een nog veel dichtere bebouwing nodig dan nu meestal gebeurt.”

Dat het mogelijk is om in de onstad een nieuwe aantrekkelijke binnenstadachtige buurt te bouwen, kun je zien op verschillende plekken in Amsterdam. Gadet noemt als voorbeeld het nieuwe Bos- en Lommerplein en de omgeving. Daar zijn heel dicht tegen en zelfs over de A10 forse blokken gebouwd, met niet alleen woningen maar ook ruimtes voor voorzieningen. „En het werkt’, zegt hij. „Daar floreren nu allerlei eethuizen en cafés, vaak van etnische ondernemers. Daar willen de kenniswerkers wel naar toe.”