Een stadje in opwinding

Het Oostenrijkse platteland omstreeks 1910 Austrian Archives/Corbis

Hans Adler: De kleine stad. Vertaald uit het Duits door Goverdien Hauth- Grubben. Atlas, 304 blz. € 34,95.

Herontdekkingen geven smaak aan het literaire bedrijf. Neem de Oostenrijker Hans Adler (1880-1957), drie jaar geleden ook in zijn eigen taalgebied nog onbekend. Een kleine bibliofiele uitgever ontfermde zich over zijn vergeten werk, dat door de Duitse kritiek lovend werd ontvangen en een verkoopsucces bleek. Inmiddels is Adlers meesterlijke roman De kleine stad (1926) ook in het Nederlands verschenen.

Hans Adler was een tijdgenoot van de grote Oostenrijkse interbellumschrijvers Joseph Roth, Robert Musil, Heimito von Doderer en Stefan Zweig. Net als hen blikt hij terug op de nadagen van de Donaumonarchie en laat hij een (licht) nostalgisch geluid horen. Tussen de Wereldoorlogen was Adler, een Weense jurist die zich na een vroege ziekte volledig aan de literatuur wijdde, zeker geen onbekende – Kurt Tucholsky en Leo Perutz behoorden tot zijn bewonderaars. Hij schreef toneelstukken en libretto’s, maar ook poëzie en verhalen.

In zijn enige roman De kleine stad geeft Adler een satirisch-realistisch beeld van een Oostenrijkse provinciestad omstreeks 1910. Alle sociale klassen zijn vertegenwoordigd: adel, burgerij, proletariaat en kunstenaars. Tientallen scènes en net zo veel personages gebruikt Adler om een indruk te geven van het alledaagse leven in het slaperige stadje, waar iedereen in de ban lijkt van een bovenmatige zinnelijkheid of zeg maar gewoon geilheid.

Twee personages vormen het middelpunt: de ambtenaar annex dichter Franz Seylatz, die voor één jaar is overgeplaatst vanuit Wenen, en zijn jeugdvriend Titus Quitek, ooit een veelbelovend schildertalent maar nu tekenleraar aan de plaatselijke middelbare school. Grotere verschillen zijn nauwelijks mogelijk.

Seylatz past zich aan en wil carrière maken. Maar Titus Quitek is een uitgesproken bohémien met dandyachtige trekjes en een neiging tot provocaties. Hij heeft altijd gedroomd van een atelier in Parijs, maar is blijven hangen in de Oostenrijkse provincie, die hij verafschuwt : ‘Ik haat deze grauwe vochtige stad, haar riolen en de plantsoenen die aan de hoede van het volk zijn toevertrouwd. Hun stank maakt me ziek, de misdadige tronies van de mensen [...] Ik haat alles alsof ik het zelf heb gemaakt.’

Barmhartigheid

Halverwege zal Titus Quitek zich in een plotselinge opwelling van barmhartigheid ontfermen over het zestienjarige proletariërsmeisje Lisa (‘geliefde en kind tegelijk’), dat hij in staat stelt om een internaat te bezoeken. Dankbaar is Lisa hem niet: ze bedriegt hem onder anderen met Seylatz. In het laatste deel van de roman vereenzaamt Titus steeds meer, vooral nadat hij zijn baan is kwijtgeraakt omdat hij de directeur van de school, die hem aanspreekt op zijn onconventionele gedrag, fikse beledigingen naar het hoofd heeft geslingerd.

Deels kun je De kleine stad opvatten als een satire op het ambtenarenapparaat, en hierin doet Adler zeker niet onder voor Heimito von Doderer of Robert Musil. Het is de wereld zoals die wordt gepersonifieerd door burgemeester Knetsch of districtshoofd Strufella, waar damesbediening in een wijnlokaal verboden is en gelijktijdig toegestaan. Of waar bordelen ‘enerzijds strafrechtelijk verboden waren, maar anderzijds fiscaal als belastbaar object werden erkend’ – en door alle notabelen gefrequenteerd.

Hans Adler heeft veel aandacht voor de sociale verschillen, hoewel je nergens van een expliciete aanklacht kunt spreken. De schrijver toont aan, maar veroordeelt niet. Sommige scènes zijn schrijnend. Bijvoorbeeld als het gaat om de typiste van de burgemeester, die eerst zwanger wordt gemaakt door de eerste burger en vervolgens op staande voet ontslagen onder de woorden: ‘Ondanks alles zal ik je een goed getuigschrift geven.’

Ook het lot van Hanka, het buurmeisje van voornoemde Lisa, is niet te benijden. Na diverse (slechts aangestipte) verwikkelingen zal ze in de prostitutie belanden.

Het spreekt voor de kwaliteiten van deze roman dat ook de bijfiguren beklijven. Dat geldt zeker voor de jaloerse weduwe Mela Sintekorn, bij wie Quitek in onderhuur woont, en die op groteske wijze een van zijn leerlingen verleidt. Of voor de regelmatig zijn opwachting makende arts Laubenscheer, een melancholieke levenskomiek die zelden nuchter wordt aangetroffen. Hij is overigens de enige met wie Titus Quitek vriendschappelijke betrekkingen onderhoudt.

Vindingrijk

Hans Adler is een charmante, ironische verteller die nergens verveelt. Hij schrijft uiterst trefzeker, lichtvoetig en met een bewonderenswaardig gevoel voor pointes en gekke situaties. Goverdien Hauth-Grubben heeft zijn proza secuur en vindingrijk vertaald, met speciale aandacht voor het typische Oostenrijkse taaleigen. Ook in de Nederlandse versie maakt deze roman een voortreffelijke indruk (al zou, gelet op de onbekendheid van de schrijver, een kort nawoord zeker geen kwaad hebben gekund.)

Slechts heel af en toe laat de vertaalster een steekje vallen. Een van de laatste hoofdstukken begint als volgt: ‘De gang van zaken in het etablissement van mevrouw Gießkann in de Kapucijnensteeg was uiteraard afhankelijk van jaargetijde en weersomstandigheden.’ In het Duits staat echter precies het tegendeel, namelijk dat ‘het etablissement’ onafhankelijk van het weer was. Geen wonder want het betreft een bordeel. Het fragment behoort overigens tot de glansstukken van de roman. Adlers precieze beschrijvingskunst, zijn humor en ook zijn oog voor sociale misstanden bereiken hier een hoogtepunt. Alleen al voor dit hoofdstuk zou je De kleine stad moeten lezen.

    • Wil Rouleaux