Een muntunie vereist een gezamenlijk sociaal bestel voor Europa

Een gemeenschappelijk sociaal beleid is onmisbaar voor het voortbestaan van de Europese Unie. Een taak voor sociaal-democraten, vindt Frank Vandenbroucke

Al 50 jaar debatteren we over de vraag of Europa een sociale dimensie nodig heeft. Vaak is dat een klaagzang met weinig effect: het onbereikbare wordt betreurd. Het was ook moeilijk om de noodzaak van Europees sociaal beleid aan te tonen: wie zegde dat de economische integratie zorgde voor groei die de lidstaten zelf in welvaart moesten omzetten, had een punt. Dat is veranderd: door de monetaire eenmaking is een Europabrede basisconsensus over het gewenste sociale model een functionele noodzaak geworden voor de Unie. We staan nu voor brandende kortetermijnkwesties met betrekking tot de stabilisatie van het Europese financiële bestel. Maar op iets langere termijn is een sociaal verdrag een overlevingskwestie, net zoals een verstandig begrotingsverdrag dat is.

Economische theorie leert dat de lidstaten van een muntunie geconfronteerd worden met een onvermijdelijke afweging tussen drie uitgangspunten: (i) de deelnemende landen moeten in hun economische ontwikkeling gelijke tred houden; (ii) in de mate dat er toch een risico is op ongelijke ontwikkelingen, moeten ze over voldoende intern aanpassingsvermogen beschikken; (iii) het gebrek aan intern aanpassingsvermogen kan verzacht worden als stabiliserende overdrachtsbetalingen mogelijk zijn tussen de lidstaten van de Unie zonder dat daar misbruik van wordt gemaakt.

In een muntunie is overeenstemming nodig over deze trade off: hoe groot is de bereidheid om asymmetrie (ongelijke ontwikkeling te voorkomen door streng preventief toezicht; hoe ver willen lidstaten gaan in de flexibiliteit die het interne aanpassingsvermogen garandeert; en of ze in staat zijn met elkaar afspraken te maken over stabiliserende overdrachtsbetalingen, bijvoorbeeld in geval van onverwachte asymmetrische schokken die niet voorkomen konden worden. Dat zijn geen maatschappelijk neutrale keuzes: de flexibiliteit waar het over gaat (loonflexibiliteit, arbeidsmigratie) kleurt een maatschappijmodel met moeilijke en pijnlijke processen.

Symmetrie (gelijke tred) nastreven is ook geen maatschappelijk kleurloze optie. In essentie gaat het om harde economische gegevens zoals loonkosten en overheidsschuld. De idee dat het economische beleid supranationaal bepaald wordt terwijl het sociale beleid vorm krijgt in netjes daarvan afgescheiden, nationale of regionale arena’s is echter naïef.

In welke mate is sociale convergentie nodig om symmetrie te garanderen? Moet de Unie er – omwille van symmetrie – over waken dat de pensioenleeftijd in alle lidstaten gekoppeld wordt aan de levensverwachting? Om dat punt hard te maken, heb je een batterij argumenten nodig. Die gelden niet alleen voor een pensioenongelijkheid in de Unie, maar ook voor ongelijkheid in scholing. Meer dan een op drie Spanjaarden tussen 25 en 34 heeft niet meer dan een diploma van lager secundair onderwijs; in Duitsland geldt dat voor minder dan één op zes. Dat de Spaanse scholingsstructuur zo verschilt van de Duitse, is even bedreigend voor de toekomstige symmetrie als het feit dat Duitsers en Spanjaarden op een andere leeftijd met pensioen gaan. ‘Convergeren’ is natuurlijk geen neutrale oefening: de vraag is in welke richting je wilt convergeren. En als er asymmetrie ontstaan is, hoe verdeel je dan de inspanning die nodig is om het aanpassingsproces tot een goed einde te brengen? De gedachte is dat zo’n aanpassingsproces eenzijdig georganiseerd kan worden – de Spanjaarden moeten al hun problemen maar zelf oplossen –, is economisch even naïef als de gedachte dat er geen aanpassingsproces nodig is.

De Muntunie, en bij uitbreiding de hele Unie, heeft geen toekomst als er geen basisconsensus tot stand komt over deze kwesties. Consensus behelst compromis. Voor politieke partijen is eigen profiel existentieel. De daarmee samenhangende ideologische strijd is goed. Maar voor de Unie is een basisconsensus over ons sociaal bestel existentieel. Sociaal-democraten hebben geen toekomst als de Unie wegzinkt in een steeds diepere crisis en moeten dus bijdragen tot de nodige basisconsensus. Is dat een catch 22 voor sociaal-democraten? Als een historisch compromis tussen politieke families en regeringen in Europa over de richting die de Unie moet uitgaan, bijdraagt tot het creëren van hoop, dan hoeven sociaal-democraten daar geen schrik van te hebben.

Natuurlijk hebben sociaal-democraten daarbij een eigen agenda. De inkomensongelijkheid in het geïntegreerde Europa is even groot als de inkomensongelijkheid in de Verenigde Staten, omdat de ongelijkheid tussen de Europese staten veel groter is dan de ongelijkheid tussen de Amerikaanse staten. Deze vaststelling zou het hart moeten vormen van een sociaal-democratische agenda. Het antwoord op die vaststelling vergt een volgehouden investeringsagenda in menselijk kapitaal, met name via onderwijs en opleiding. Maar het vergt ook efficiënte sociale bescherming. Landen als Spanje, Griekenland en Italië falen zowel in het eerste als in het tweede. Orde op zaken zetten is nodig. Maar de Europeanen moeten dat wel samen aanpakken, anders neemt de wanorde alleen maar toe.

Frank Vandenbroucke is Belgisch minister van staat (socialistische partij anders) en hoogleraar aan de universiteit van Leuven. Dit komt uit zijn inaugurele rede gisteren als bijzonder hoogleraar van de Den Uyl-leerstoel (Wiardi Beckmanstichting) aan de universiteit van Amsterdam. De volledige tekst is te vinden op www.uva.nl/fvdb