China slaat genadeloos toe

De B.V. China koopt wereldwijd alle grondstoffen op, terwijl het Westen verlamd toekijkt. Hoe gevaarlijk dat is, beschrijft Dambisa Moyo in haar nieuwe boek, waarin ze waarschuwt voor een economische en politieke catastrofe.

Een Lynas-fabriek in aanbouw in Gebeng, zo'n 270 kilometer ten oosten van Kuala Lumpur, waar de grondstoffen van de Australische Mount Weld-mijn verwerkt worden Foto AFP/Mohd Rasfan

Dambisa Moyo: Winner Take All. China’s Resources and What It Means For Us. Penguin, 272 blz. € 22,-

Peruaanse koperbergen zo hoog als de Mount Everest. Spaanse en Russische energiegiganten. Griekse havens. Afrikaanse en Midden-Oosterse olie- en gasvelden. Afghaanse kopermijnen. Afrikaanse en Argentijnse landbouwreuzen. Nieuw-Zeelandse zuivelconcerns. En onder de Chinese definitie van essentiële grondstoffen vallen ook Franse en Australische wijnhuizen.

De nuttige China Global Investment Tracker van de Amerikaanse denktank Heritage Foundation heeft berekend dat China vanaf 2005 voor meer dan 400 miljard dollar grondstoffen-verwerkende bedrijven heeft overgenomen. Recente goodwill-investeringen in Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse wegen, scholen en ziekenhuizen ter waarde van 500 miljard dollar moeten daar nog bij worden opgeteld.

Chinese tv-kijkers en krantenlezers kijken allang niet meer op van de contracten die de BV China dagelijks sluit om de industriële revolutie in de Volksrepubliek tot ver in deze eeuw te voeden. Vorige week alleen al bespraken de presidenten van Rusland, Iran en Afghanistan in Peking koper-, gas-, en oliecontracten ter waarde van ruim 40 miljard euro. En precies daarom blijft het Chinese shoppen de rest van de wereld wél verbazen, shockeren en imponeren.

Tot de categorie bewonderaars van China’s ‘kruistocht’ naar grondstoffen behoort de Zambiaanse econome, tevens spraakmakend schrijfster, Dambisa Moyo (Lusaka, 1969). Na haar provocerende boeken Dead Aid (2009) en How The West Was Lost (2011) lag het vanwege haar beroep en afkomst voor de hand dat zij over het land zou gaan schrijven dat haar continent wezenlijk aan het veranderen is.

Maar misschien had zij zich meer tijd moeten gunnen, want Winner Take All. China’s Race for Resources and What It Means For Us is zowel een beklemmend als een chaotisch boek geworden. Supertechnische hoofdstukken over de werking van de grondstoffenbeurzen zijn alleen boeiend voor aspirant-investeerders. En als Moyo over de organisatie van de Communistische Partij van China schrijft, leunt zij zwaar op The Party van Richard McGregor van de Financial Times en ander recent onderzoekswerk van Chinavorsers.

Wat Winner Take All verhelderend maakt, zijn Moyo’s analyses van China’s grondstoffenstrategie, China’s invloed in Afrika en Latijns-Amerika en de politieke inertie van het Westen. De staat van mondiale grondstoffenvoorraden – vooral water, landbouwgrond, sommige mineralen en olie – is alarmerend en verdient veel meer aandacht, stelt Moyo. Dat geldt ook voor de politiek lastige, technische oplossingen waar het heden om vraagt.

Hoewel China’s vraag naar grondstoffen in haar boek centraal staat, doet Moyo nadrukkelijk niet aan ‘China-bashing’, want ondanks de gegroeide vraag consumeert China bij lange na niet zoveel olie als de VS of de EU. De verantwoordelijkheid voor toekomstige tekorten legt zij bij de groei van de wereldbevolking (van 7 miljard in 2011 naar 9 miljard in 2050) en de te voorziene stijging van de welvaart in ontwikkelingslanden.

Moyo voorspelt een gevecht op leven en dood als de grondstoffenvoorraden uitgeput raken of ontoereikend worden. Het is de perfecte paradox: de groei van China en India vormt de motor van de wereldeconomie en leidt ook tot wat Moyo omschrijft als de perfecte storm, waarop wij niet zijn voorbereid. Om dat aan te tonen brengt ze diverse scenario’s in kaart, die neerkomen op een economisch en politiek Armageddon. Zo wachten ons in de tweede helft van deze eeuw water- en olieoorlogen. Het zijn prognoses die Amerikaanse discussies over het homohuwelijk en Nederlands gekrakeel over het reiskostenforfait en de hypotheekrenteaftrek in een ander perspectief plaatsen.

Alleen China heeft de boodschap goed begrepen, want, zegt Moyo, het beschikt over een heldere, beproefde strategie. Het tempo, de omvang en vooral de politieke discipline waarmee China zijn eigen plan trekt en de wereld afspeurt naar grondstoffen om economische groei te creëren, dwingt bij haar (en bij vele anderen) respect af. Chinees buitenlands beleid is in essentie grondstoffenbeleid, de rest is bijzaak.

Moyo vraagt zich vooral af waarom het Westen de feiten over de grondstoffencrisis wel kent, maar geen strategieën ontwikkelt om aan ‘een wereldbedreigende storm’ te ontkomen. Het antwoord ligt volgens haar ‘triest genoeg’ besloten in de ‘democratische bijziendheid’ van de nationale parlementen.

Politici in democratieën zijn soms noodzakelijkerwijs, soms uit kortzichtigheid bezig met het hier en nu, met de strijd om de stembus. Oog voor de belangen van toekomstige generaties als het gaat om mineralen, voedsel, water en energie hebben zij in ieder geval niet. Het Amerikaanse politieke systeem is vastgelopen. Europa is vooral met zichzelf bezig en, denkt Moyo, bovendien nog veel te rijk om zich zorgen te maken over toekomstige schaarste en onbetaalbare levensmiddelen.

In internationale organisaties domineren nationale in plaats van gemeenschappelijke internationale belangen, stelt ze vast. Er is altijd wel een actuele crisis of een oorlog die de aandacht vergt. Tegenover dat ongeïnteresseerde, gepreoccupeerde of wegkijkende Westen plaatst Moyo de partijmachine in Peking die functioneert als een strak geleide multinational. ‘China heeft vele kaarten goed gespeeld en de belangrijkste is misschien wel de vriendschapskaart. Er zijn vriendschapsbanden gesloten met gastlanden. Het verschil met de praktijken van de westerse kolonisatoren kan niet groter’.

Ook relativeert Moyo de sociale uitwassen van de Chinese aanwezigheid in Afrika. Als het om morele dimensies van de samenwerking tussen China en gastlanden gaat, zijn de Chinezen inderdaad agnostisch en hebben ze geen andere agenda dan het winnen van grondstoffen. Het opdringen van christelijke normen en waarden, het democratiseren van gastlanden, het interesseert China simpelweg niet. En dat is wel zo verfrissend, aldus Moyo. Vooral omdat China zich niet gedraagt als een moraliserende neokolonisator.

In geen enkel opzicht voldoet China aan de klassieke definities van het kolonialisme. Daarin heeft Moyo gelijk, hoewel zij erg laconiek omgaat met bijvoorbeeld de Chinese bedrijven die in haar eigen land, Zambia, kinderen laten werken. Over het algemeen vindt zij de klaagzangen van mensenrechten- en milieuorganisaties over Chinese uitbuitingspraktijken overdreven, onwaar of slecht gedocumenteerd. Bovendien – ze heeft een punt – ook Chinese bedrijven hebben lessen geleerd.

In haar betere hoofdstukken legt Moyo uit waarom China vaak bereid is een hogere prijs te betalen dan westerse concurrenten. Die hogere prijs omvat ook allerlei indirecte, niet-renderende investeringen in de lokale infrastructuur. Dat Chinese ‘overprijzen en overbieden’ is in de eerste plaats terug te voeren op het feit dat China onvoldoende eigen grondstoffenbronnen heeft en het arsenaal aan landbouwgrond slinkt. Toen in 2010 China voor het eerst sinds het Mao-tijdperk weer granen, waaronder rijst, moest importeren, was dat voor velen schokkend en zorgwekkend nieuws.

Het belangrijkste motief om een hogere prijs te betalen is van binnenlands politieke aard. Zonder de import van grondstoffen geen economische groei, zonder aanhoudend hoge groei geen politieke en sociale stabiliteit. Als de Communistische Partij niet voor groei, banen, pensioenen, scholing en nieuwe huizen zorgt, verliest ze haar bestaansreden. Een paar honderd miljard dollar meer of minder voor machtsbehoud is een kleine prijs, China heeft genoeg cash en nog eens 3200 miljard aan buitenlandse deviezen. Het is bovendien een strategie die resultaat heeft opgeleverd: in de afgelopen dertig jaar is de armoede in China volgens VN-definities afgenomen tot 16 procent van de 1,3 miljard mensen tellende bevolking. Een ongekende prestatie. In de Verenigde Staten is dat percentage 15 procent.

Moyo doet niet alleen aan doemdenken. Zij wil graag een rationele optimist zijn en komt daarom ook met scenario’s waarin de wereld de perfecte storm omzeilt. Misschien stagneert de groei van de wereldbevolking in 2050, misschien zwakt de vraag naar grondstoffen af als gevolg van dalende groei in China en India. Dat zijn de minst plausibele scenario’s.

Minder theoretisch zijn Moyo’s praktische oplossingen die variëren van grootschalige besparingen op energiegebruik, hoge belastingen op energieconsumptie tot de invoering van kernenergie en genetisch gemanipuleerd voedsel. Frankensteinvoedsel en kerncentrales zijn onontkoombaar. Ook in China, waar zadenproducent Monsanto net nieuwe fabrieken heeft geopend en het moratorium op de bouw van nieuwe kerncentrales na Fukushima is opgeheven.

Moyo voegt aan deze lijst omvangrijke bezuinigingen op Amerikaanse en Chinese defensie-uitgaven toe, waarmee de technologie moet worden gefinancierd om de tekorten aan water, voedsel, olie en andere mineralen met nieuwe, nog niet bestaande energiebronnen te kunnen aanvullen. Dat vergt internationale consensus over een gezamenlijke strategie.

Een Realpolitiker is Moyo dus beslist niet. Hoe zij denkt China en de VS ervan te overtuigen om minder fossiele brandstoffen te consumeren en hun legers te verkleinen, maakt zij nergens duidelijk. Geen Amerikaanse of Chinese leider of generaal peinst erover na lezing van Moyo’s doemscenario’s de zee- en luchtvloten in te krimpen. Als binnenkort ook de Chinese versie van Winner Take All rond is gegaan in het Pekingse leidershoofdkwartier Zhongnanhai, zet China er vast en zeker een tandje bij. Zeker nu de VS hebben besloten het grootste deel van de Amerikaanse vloot naar Azië te dirigeren, het continent met de vitale aanvoerroutes voor grondstoffen.

    • Oscar Garschagen