brieven

Breivik/Samir

De bespreking die Michiel Leezenberg schreef over Eildert Mulders boek Anders Breivik is niet alleen en over De Islam en het westen van Samir Khalil Samir (Boeken, 11.05.2012) heb ik niet kunnen volgen. Leezenberg rekent de jezuïtische theoloog Samir met Breivik tot de islamofoben. De associatie is wat Samir betreft al beledigend. De Franse titel van Samirs boek luidt juist: Les Raisons de ne pas craindre l’Islam! ( De redenen om juist de islam niet te vrezen!) Samir zou, aldus Leezenberg, joden en moslims geen echte spiritualiteit toekennen. Er staat: ‘Ik (Samir) heb helemaal niet de bedoeling het bestaan van moslim-spiritualiteit te ontkennen.’ Wél schrijft Samir dat die spiritualiteit bedreigd wordt door legalisme. Elke soefi zal dit beamen. Ik hoop dat lezers zich door deze onwelwillende bespreking niet laten afschrikken. Ik heb Samir ruim dertig jaar gekend als een groot geleerde. Twintig jaar zat ik als protestant met hem in een katholieke commissie, die islamconferenties organiseerde. In Leezenbergs bespreking herken ik de echte Samir niet.

Dr Jan Slomp, predikant/islamoloog, Leusden

Naschrift Michiel Leezenberg

Ik kan me de ontsteltenis van de heer Slomp goed voorstellen: ook ik was verrast door het verschil tussen de humanistische toon en de islamofobe inhoud van Samirs boek. Vanzelfsprekend onderkent hij het bestaan van het soefisme , maar hij vervolgt dat de ‘ware’ Islam toch gewelddadig, veroverend enzovoort is. Ook vermeldt hij zonder een woord van kritiek de mythen van een eurabische samenzwering en van een groot plan om Europa via massamigratie te islamiseren. Daardoor komt wat hij onder de ware Islam verstaat bedenkelijk dicht in de buurt van de opvattingen van de radicaalste salafisten en islamofoben, van wie hij op het eerste gezicht zo sterk lijkt te verschillen.

Historisme

Arnold Heumakers stelt onder de kop ‘Een woord als een hamer’ (Boeken, 18.05.2012) veel interessante vragen omtrent het ‘historisme’; een poging trouw te zijn aan het verleden, maar ook een streven om de wetenschappelijkheid van het vak geschiedenis te legitimeren. Ik zou hier graag enkele vragen aan toe willen voegen. Allereerst de vraag waar historisme nu precies begint en ophoudt. Een voorbeeld: is Multatuli, omdat er ook in zijn tijd al mensen waren die het kolonialisme verderfelijk vonden, een ouderwetse schrijver omdat hij het kolonialisme als verschijnsel op zich niet veroordeelde? En zijn voor dat predicaat ouderwets 10, 100, 1000 of 100.000 het kolonialisme veroordelende tijdgenoten nodig? En hoeveel moeten zij er dan ook nog over hebben gepubliceerd?

Kortom: is het historisme niet een nog veel wankeler filosofische construct dan vaak aangenomen wordt? En zouden we daarom voor onze beoordeling van historische gebeurtenissen niet beter wat meer uit kunnen gaan van individuele beleving van mensen toen, omdat we gebeurtenissen in het heden ook op die manier wegen? Kunnen we nou echt geen degelijkere manieren bedenken om het wetenschappelijke gehalte van het vak geschiedenis op te krikken?

Paul Ophey (historicus), Nijmegen