Belgische fanzucht

O ude tijden zijn terug. Belgen kijken opnieuw naar Nederlandse televisiezenders. Dat deden ze vroeger ook. Mies Bouwman, Ron Brandsteder, Berend Boudewijn en andere Mounties waren huismeubilair. Er was namelijk nog geen commerciële televisie in Vlaanderen.

Belgen zijn dezer dagen taaie Oranjefans. Terwijl de grens in Wuustwezel dikker is dan ooit. Het zegt iets over de inherente schoonheid van het Nederlandse voetbal die helemaal losgezongen is van de neurotische polder.

Oranje: de andere natie.

Er is geen Europees voetballand dat in Vlaamse huiskamers zo tot de verbeelding spreekt als Nederland. Het is niet eens een taalkwestie. Het Franse nationale team leeft ook niet in Wallonië. Spanje? Hooguit FC Barcelona.

De massieve fanzucht der lage luchten blijft beperkt tot voetbal. Joop Zoetemelk is in België altijd een scheldwoord geweest. Niemand wil nog weten hoe het met Hennie Kuiper is. Nederlandse hockeyhelden bestaan niet.

De verwantschap met voetballers gaat dieper dan het spel.

Johan Cruijff en Willem van Hanegem werden destijds gezien als vrijheidshelden. Ze hadden tekst, excelleerden in dissidentie. Naar die mondigheid werd in België zeer opgekeken. Voetballers die diva’s durfden te zijn, nors en modieus à la Brigitte Bardot – dat het bestond. Mannen in korte broek en toch van de wereld.

Het laatste zijn Belgische voetballers nu pas. Met Vertonghen en Hazard, met Lukaku en Vermaelen. Maar nog altijd niet met de uitstraling van Gullit, Rijkaard en Van Basten. Niet die exposure, niet dat fluimend lef van de Nederlander. Nog steeds is het Nederlandse voetbal voor de zuiderburen het archetype van een attitude.

Bondscoach Bert van Marwijk liet zich ontvallen dat er bij de Rode Duivels evenveel talent aanwezig is als bij Oranje. Het voelde aan als een politieke uitspraak. Talent is er wel, maar bond noch coaches weten hoe er mee om te gaan. Er heeft geen Rinus Michels of Leo Beenhakker op de bank gezeten. Al helemaal geen Bert van Marwijk die het Nederlands elftal tot idylle heeft omgetoverd.

Het sprookje nabij.

Hoofdvertolker in het sprookjesverhaal is voor mij Ibrahim Afellay. Dat gezandstraalde engelengezicht, de zachte ogen, de broze glimlach. En nog steeds die gêne in het spreken.

Bijna alsof het brevieren is.

Er is iets vrouwelijks over het Nederlands elftal gevallen. Met aftrek van Mark van Bommel, Nigel de Jong en Dirk Kuijt, natuurlijk. Daarentegen: Afellay, Robin van Persie en zelfs Arjen Robben dragen flaneerkunst in zich.

De dames van Oranje, bijna.

In ieder geval een lust voor het oog. En ze weten van hun eigen elegantie, zij het Arjen Robben iets minder. Van het viriele in Zuid-Afrika naar het feminiene in Polen en Oekraïne: een vorm van eerherstel, wie weet. De pariastatus na de karatetrap van Nigel de Jong afgeworpen. Het siert de bondscoach dat hij deze geslachtswissel toestaat, terwijl hij zelf toch een man van weer en wind is.

Toch tolerant.

Johan Cruijff riep de voetbalanalisten op om vooral ‘ondersteunend’ voor Oranje te zijn. Een platitude die de oude meester moet doen verstenen in schaamte. Hoe ondersteunend is hij zelf dan met zijn wilde fantasieën over Dirk Kuijt als rechtsback?

Dit Nederlands elftal zit niet op ondersteuning te wachten. De selectie ronkt van zelfbewustzijn. Er ligt een blauw waas van ongenaakbaarheid over. Ook de verstotenen Klaas-Jan Huntelaar en Rafael van der Vaart houden zich strikt aan de wetten van boenwas.

Iedereen eenvormig: het lijken wel Belgen.

Ik sluit niet uit dat juist deze metamorfose het geheim van het succes wordt dat het Nederlands elftal over luttele weken in de finale in Kiev aan de Europese voetbaltitel helpt.