Afscheid

Door een toeval las ik kort na elkaar twee oudere teksten over afscheid die, hoewel onafhankelijk van elkaar geschreven, een frappante overeenkomst vertonen. Een stukje proza, getiteld Okay son, van Bert Weijde uit een Bzzlletin-nummer van maart 1999 over J.J. Voskuil, Frida Vogels en Weijde, en het gedicht eight days a week uit een verzamelbundel van C. Buddingh’ (1918-1985). Mooie teksten die elkaar nog versterken als je ze achter elkaar plaatst.

Weijde is de minst bekende van de twee. Hij leefde van 1942 tot 1986 en heeft bij zijn leven niets gepubliceerd. Hij hoorde tot de kleine kring intimi van Voskuil en Vogels, die na Weijdes dood onder de titel Onder het ijs een keuze uit zijn nalatenschap maakte. In Voskuils romancyclus Het Bureau heet hij Frans Veen.

Eerst Weijde.

„Zowel bij het binnenkomen als bij het weggaan geven vader en ik elkaar altijd een hand. Niet dat dit zo mijn stijl is, oorspronkelijk is het van vader uitgegaan die het als gewoonte vermoedelijk van de vrijmetselarij heeft, want sindsdien is hij ermee begonnen. Dit gebruik tussen ons is dus al heel oud.

Voor wat het afscheid betreft is de ceremonie hiermee nog niet afgerond: vader gaat dan naar het balkon en buiten wuiven we elkaar na. Het nawuiven is een gebruik van jonger datum en wel sinds de dood van moeder.

De laatste twee jaar is er nog iets bij gekomen: gelijk na de handdruk neem ik de vuilniszak voor hem mee naar buiten, want sjouwen gaat hem steeds moeilijker af. Maar vandaag geen vuilniszak. Sinds de poes er niet meer is, heeft hij minder vuilnis. Het gevolg is dat ik iets eerder op mijn fiets zit dan anders. Ik kijk naar boven: geen vader, hoewel de balkondeur openstaat. Na enig dralen rijd ik langzaam naar de eerstvolgende straatlantaarn. Zwaaiend met het stuur wuif ik naar de balkondeur tot ik uit het licht ben. Zo ook bij de volgende lantaarn, maar of er nu wel of niet iemand op het balkon staat, is niet meer te onderscheiden. Bij de hoek gekomen aarzel ik. Het is heel goed mogelijk dat hij inmiddels op het balkon is verschenen en daar zoals gewoonlijk naar beneden staat te kijken tot ik met de fiets tevoorschijn kom. Het zo laten? Dan hebben we elkaar voor zijn vakantie niet toegezwaaid.

Ofschoon hij veel meer van de wereld heeft gezien dan ik, is ook voor hem het land uit gaan nog altijd een ingrijpende gebeurtenis. Nee, ik kan het niet zo laten. Ja, maar als je terug fietst, schijnt je lamp in de richting van zijn huis. Is dat wel goed, met licht op terugkeren? Het kan niet anders. – Inderdaad staat vader op het balkon.

– Is er wat? vraagt hij. Heb je wat vergeten?

– Ik was al bij de hoek. Ik kwam nog even terug voor de begroeting. Dag.

– Okay son. Okay.”

Tot slot Buddingh’.

als mijn vrouw met de bus naar de stad gaathoop ik altijd dat ze halte ziekenhuis instapt:dan kan ik haar net zo lang nakijkenals wanneer ze halte vogelplein neemten zie ik haar bovendien nog een keer voorbijkomen in de bus

Dit gedicht van Buddingh’ had ik jaren geleden al eens gelezen. Het trof me nu weer met dezelfde kracht: kernachtiger kan een liefdesgedicht niet zijn, ook al kiest hij voor een omweg. Zowel Buddingh’ als Weijde lijkt doordrongen van het besef dat elk afscheid het laatste kan zijn. Alsof ze daarom willen zeggen: doe het goed.

    • Frits Abrahams