Technocraten voeren Europa naar afgrond

Europa is een technocratische utopie die gedoemd is te mislukken als de bevolking er niet meer op vooruitgaat, stelt Ian Buruma.

Sommige ideeën, uitstekend op zichzelf, zijn net als een tijdbom gewikkeld in een aantrekkelijk object. Zij verbergen van begin af aan een gevaarlijk defect. Het ideaal van een verenigd Europa, hoewel zeker niet bedoeld om te ontploffen, zou hier een voorbeeld van kunnen zijn. Om de huidige crisis te begrijpen moeten we terug naar de oorsprong van dit mooie ideaal.

Een van de belangrijkste voortrekkers van de moderne Europese Unie was Jean Monnet, een uitzonderlijke figuur, een Franse diplomaat en econoom die zich bovendien thuis voelde in de Angelsaksische wereld. De Tweede Wereldoorlog bracht hij voornamelijk door in Washington. Na de oorlog was hij, zoals velen, overtuigd dat een volgende, en misschien nog fatalere oorlog alleen kon worden vermeden door een verenigd Europa. Hij schreef in zijn memoires dat er „nooit meer vrede komt in Europa als de staten zich weer inrichten op basis van nationale soevereiniteit.”

De meeste Europeanen, oorlogsmoe en gedemoraliseerd door de vernieling van hun nationale staten, dachten niet anders. Alleen de Britten, in de roes van de overwinning en met hun staat nog min of meer intact, waren sceptisch, niet zozeer over het ideaal van een verenigd Europa (waar zelfs Churchill nogal warm voor liep), maar over de Engelse deelname aan dit ambitieuze project.

Het Europese ideaal is natuurlijk veel ouder dan de plannen van Jean Monnet. Misschien hoeven we niet zo ver terug te gaan als het oude Rome, maar het Heilige Romeinse Rijk in de 10de eeuw was zeker een voorloper van de Europese Unie. Sinds dat rijk kwam de Europese droom in verschillende gedaanten steeds weer terug, maar twee thema’s bleven constant. Een daarvan is het ideaal van een verenigd Christendom, met Europa als het spirituele centrum. De duc de Sully (1551-1641), bijvoorbeeld, kwam met het idee van een Christelijke Europese Republiek. Turken mochten ook lid worden, mits zij zich bekeerden tot het ware geloof.

Het andere thema was de eeuwige vrede. De Abbé de Saint Pierre, ook weer een katholieke Fransman, publiceerde in 1713 zijn Project voor de Creatie van de Eeuwige Vrede in Europa. Een Europese senaat moest er komen, en een Europees leger, en de grotere landen hadden een gelijkwaardig stemrecht.

In feite waren de twee thema’s, eeuwige vrede en een verenigd christendom, voor de pan-Europese denkers min of meer identiek. Vreedzame vereniging was een religieus ideaal, een christelijke utopie. Het was ook nooit de bedoeling geweest dat de ideale vereniging bij Europa zou blijven. De wereld zou volgen. Vereniging, net als het christendom zelf, was een universeel doel. In het aardse koninkrijk Gods zouden nationale grenzen niet meer bestaan.

Na de Verlichting namen rationalisten deze universalistische aspiraties zonder moeite over. De 19de eeuwse Franse staatsman, Alphonse de Lamartine, schreef zijn Marseillaise van de Vrede: „De verlichte wereld rijst naar vereniging/Ik ben medeburger van elk denkend mens/de Waarheid is mijn land.” In 1848, het jaar van de Europese revoluties (voor het merendeel gedoemd te mislukken), schreef Lamartine, toen minister van Buitenlandse Zaken, Manifest voor Europa. Niet alleen Europa zou zich in Lamartine’s droom verenigen, maar de mensheid.

Dergelijke Europese idealen waren niet uniek in de wereld. Er bestaan varianten van, met name in China. Tot op heden zijn Chinese leiders geobsedeerd door eenheid, centraal gezag, en de harmonieuze samenleving, waar geen plaats mag zijn voor politiek conflict. Dat verschillende belangen, misschien evenredige belangen, met elkaar in conflict kunnen raken, en dus een politieke oplossing vergen, is in deze gedachtenwereld nauwelijks een acceptabel idee.

Dat Europeanen na de Tweede Wereldoorlog het ideaal van een vreedzaam continent zonder grenzen en politiek conflict, heel aantrekkelijk vonden is niet verwonderlijk. Nationalisme werd door velen gezien als het ultieme kwaad dat tot twee keer toe Europa haast naar de verdoemenis had geholpen. Harmonieuze vereniging zou onze redding zijn.

Jean Monnet was een geboren technocraat, die een aversie had tegen politiek conflict en een haast Chinese neiging tot vereniging. (In 1940, toen Hitler op zijn sterkst was, stelde Monnet aan Churchill voor om Frankrijk en Engeland te verenigen, een idee dat in Londen niet geheel serieus werd genomen.)

Zoals alle technocraten was Monnet een geboren planner. Hierin was hij overigens een kind van zijn tijd. De maakbare samenleving, het idee dat de economie en de maatschappij zo veel mogelijk moesten worden gepland, was allang voor de oorlog populair. De New Deal van president Roosevelt in Amerika was een voorbeeld. Een meer sinistere vorm van planning was het fascisme, en natuurlijk het communisme. En hoewel planning in het neoliberale Westen nu uit de mode is geraakt, wordt China nog steeds bestuurd door ingenieurs en andere technocraten.

De Europese vereniging na de oorlog werd gedreven door planners; het was een technocratische utopie. Hier zat niets sinisters aan. De motieven van Monnet en andere voortrekkers van de EU waren goedaardig en zelfs nobel. Maar het probleem met technocraten is een zekere blindheid voor de politieke consequenties van hun daden. Zij gaan voort alsof politiek niet bestaat, of althans niet echt ertoe doet.

Christine Lagarde, de Française aan het hoofd van het IMF, kreeg veel kritiek over zich heen voor haar opmerking dat zij geen enkele sympathie had voor de verpauperende Grieken, die nu maar eindelijk eens hun belasting moesten betalen – en dat terwijl zij, als diplomaat, geen cent belasting hoeft te betalen. Arrogant en hypocriet werd zij genoemd. Misschien. Maar het was ook een typisch voorbeeld van technocratische ongevoeligheid, een gebrek aan politiek besef.

Bezuinigingen waar miljoenen mensen voor moeten boeten, opgelegd door niet verkozen bureaucraten in Brussel en Washington, betekenen niet alleen een sociale catastrofe, maar zijn ook een bedreiging voor de democratie. Als mensen geen vertrouwen meer hebben dat democratische instituties hun bescherming kunnen bieden, dan gaan zij voor meer extreme oplossingen.

Wonderen kunnen nog gebeuren. Maar het lijkt alsof de tijdbom in het nobele Europese ideaal op het punt staat te ontploffen. De grenzen van de technocratische utopie zijn bereikt. Het rationele antwoord op de huidige financiële crisis is nog nauwere fiscale vereniging, maar ook dit is weer een technocratische oplossing waar Europa niet democratischer van zal worden. Verder extremisme is daarom waarschijnlijk.

Technocratie kan best werken, zolang de meerderheid van de bevolking er materieel op vooruitgaat, zoals bijna vijftig jaar in West-Europa het geval was, en in China tot nu toe nog zo is. Maar zodra daar de klad in komt, zien we de eerste tekenen van een komende explosie. Dit maken we nu in Europa mee. En later misschien in China.

Ian Buruma is een Brits-Nederlandse schrijver.