Parsifal verandert marinier in zanger

Bastiaan Everink was marinier, gespecialiseerd in arctische oorlogsvoering. Tot hij Wagners Parsifal hoorde. Hij nam zangles en verliet het leger. Nu is hij succesvol operazanger.

De Deutsche Oper is een van de drie grote operahuizen van Berlijn, een van de belangrijkste internationale operapodia. Een romantisch huis is het niet: platgebombardeerd in 1943, met grindtegels en beton herbouwd in 1961. „Kijk,” wijst Bastiaan Everink (42) tijdens een wandelingetje over de binnenplaats, „daar, bij dat lampje, dat is mijn kleedkamer.”

Zijn trots is aanstekelijk, omdat er niks van is gespeeld. Vorige maand zong hij in de Deutsche Oper met groot succes in Wagners Lohengrin, en viel hij in als monnik in Verdi’s Don Carlo. Deze week volgt een rol in Lucia di Lammermoor. Daarnaast moet er gerepeteerd worden voor Wagners Parsifal – een productie die in september in première gaat, maar nu alvast in de steigers wordt gezet. „Ik moet een beetje oppassen dat het niet te veel wordt”, zegt hij. „Ze roosteren je lustig in voor invaldiensten en repetities, maar uiteindelijk moet je wel zorgen dat je excellent presteert op de premières waar het om gaat. Anders lig je er ook zo weer uit.”

Vanaf september is de dramatische bariton Everink – tussen voorstellingen en repetities in nog steeds een Amsterdammer – ensemblelid van de Deutsche Oper. „Voor mij is het waanzinnig dat het juist dit gezelschap is. Ik zong hier in Duitsland eerst in de kleine theatertjes, goed voor de opbouw van je repertoire. Toen werden het langzaam de Duitse grote steden. En nu sta ik hier, waar vóór mij Plácido Domingo en wie al niet zongen.”

Voor volgend seizoen heeft Bastiaan Everink hoofdrollen in dertig voorstellingen op zijn agenda staan. Klingsor in Parsifal, Scarpia in Tosca, Escamillo in Carmen, en zo nog wat.

Voor Everink is zijn engagement in Berlijn de kroon op een met discipline en uithoudingsvermogen opgebouwde, tweede carrière. Zijn eerste carrière maakte hij in het leger. Everink – 1 meter 93, veel spieren en van nature dol op sport – gaf zich als 18-jarige dienstplichtige op voor het Korps Mariniers. Van de 450 jongens mochten er 70 door.

Parachutesprong

„Daar stonden we, in de Van Ghentkazerne”, herinnert hij zich na afloop van de generale voor Lohengrin in het artiestencafé van de Deutsche Oper. „Hoofden kaal, groene overalls aan en hup het bos in.”

Een van de eerste trainingen: twintig minuten door het bos rennen met een spoorbiels als handbagage. „De drilsergeant zei: de eerste tien minuten gaan nog. Daarna zul je een pijn voelen die intenser is dan alles wat je tot nu toe hebt ervaren. Bereid je daar mentaal op voor. Wie het niet haalt, mag naar huis.”

Weinig mensen begrijpen wat het inhoudt onderdeel te zijn van een elitegroep, zegt hij. Dat zo’n test, en eigenlijk alles aan het mariniersleven, je vormt. „Als ik nu opmoet voor een zware voorstelling, denk ik nog steeds aan de woorden van die drilsergeant.”

Hij kende als marinier grote geluksmomenten. „Mijn eerste parachutesprong. Ik voelde een diepe angst. Maar meteen nadat ik was gesprongen, maakte die plaats voor een onvergelijkbaar gevoel van vrijheid. Uitersten zijn vaak pendanten.”

En het mariniersbestaan is ook leuk – in zekere zin. „Je wordt onderdeel van een groep; mannen die ik beter heb leren kennen dan mijn eigen broers. Je eet samen uit een pannetje en als de een het even niet trekt, neemt de ander zijn rugzak. Je helpt elkaar. Doe je dat niet, dan komt je eenheid in gevaar. De solidariteit en saamhorigheid zijn compromisloos. Je lijdt en lacht samen. Uiteindelijk ben ik, na mijn dienstplicht, nog vijf jaar gebleven als beroepsmilitair. Mijn maatjes van toen komen hier naar mijn premières kijken. Natuurlijk verlies je die niet uit het oog.”

In feite kun je Everinks leven met een liniaal in tweeën snijden. Eerste helft: Korps Mariniers. Tweede helft: muziek. „Ik hield altijd al van muziek, hoor, als kind kon ik huilen om het 21ste Pianoconcert van Mozart door Murray Perahia. Ik had dat stuk in 1991 zelfs op een cassettebandje meegenomen naar Irak. Maar over wie ik was, dacht ik verder niet veel na. Elke ochtend moest je rugzak klaarstaan en dan ging je weer. Op missie of op training de natuur in, omringd door geweld en/of elementen. Maar na een jaar of vier begon ik me wel af te vragen: is dit het dan?”

Op een etentje bij een bevriend theaterregisseur, trok hij bij toeval een elpee uit de kast: Wagners Parsifal onder leiding van Georg Solti.

„Er stond een vlammende graal op, die elpee zag er waanzinnig cool uit. Vanaf de eerste maat voelde ik een onbeschrijflijke emotie. De muzikale vertaling van een diep lijden en het ontstijgen daaraan. Alle gevoelens die ik in mijn kleine teen had weggestopt, borrelden op. Ik besloot zangles te nemen, omdat zingen iets was wat ik altijd al graag deed, ook op missie. Al op de eerste les ervoer ik dezelfde sensatie van geluk, vrijheid en volledigheid als tijdens mijn eerste parachutesprong. En het opnieuw ervaren van dát gevoel werd mijn eigen graal, zou je kunnen zeggen.”

Tussen 18-jarigen

Voor de generale repetitie van Lohengrin is de zaal van de Deutsche Oper grotendeels leeg. Een plukje fotografen, wat betrokkenen en familieleden. Koor en orkest spelen in aanstekelijk fortissimo Lang zal ze leven voor Klaus Florian Vogt, de tenor die op het laatste moment is aangetrokken voor de titelrol.

Everinks rol, die van Heerrufer des Königs, is zeker niet de subtielste uit de operaliteratuur. Op het podium nog niet losgekomen van een typerende, kaarsrechte mariniershouding projecteert hij tijdens de voorstelling zijn frases klaroenachtig de zaal in.

Luid, donker, helder.

In zijn appartement veert hij de volgende dag op bij de herinnering. „Die klank!” zegt hij. „Daar gaat het om.” Achter de piano demonstreert hij zingend een ‘diepe Loe’, het strottenhoofd van buitenaf met zijn hand gewelddadig omlaag duwend. De woonkamer vult zich onmiddellijk met een Wotan-waardige klankstorm. Everink kijkt triomfantelijk. „En met zo’n geluid bereik je het tweede balkon”, zegt hij. „Maar dat heb ik niet geleerd op de Hollandse conservatoria.”

Zijn conservatoriumtijd in Enschede – ploeteren tussen brave 18-jarigen met veel meer muzikale bagage – heeft hij net uit de doeken gedaan. „Het Nederlandse systeem werkte niet goed voor mij. Ze vonden me raar. Wij zijn meer een lied- en oratoriumland. Ik wilde vooral opera zingen en was, zeker toen ik net marinier-af was, nogal een mannetje.” Ga eerst maar eens wat gedichten van Verlaine lezen om die mariniersmentaliteit wat bij te polijsten, was het advies. Of: ga eens netjes naast de vleugel staan. „Maar dat wilde ik niet. Ik wilde Nabucco of Scarpia zingen, dáár was het me om te doen.”

Via een tip van een operazanger, ontmoet toen hij als bijbaan pakken verkocht in Maison de Bonneterie, kwam Everink op het spoor van de Amerikaanse operazanger/docent James McCray. McCray was ook degene die sopraan Eva-Maria Westbroek en haar man, tenor Frank van Aken, hielp hun stem te vinden. Een kernachtig geluid – „met ping”, zegt Everink – gebaseerd op een bijna sportieve stemspiertraining en projectie.

„Ik ben loyaal, dat is erin gestampt, dus voor mij was het lastig van leraar te wisselen”, zegt hij. „En ik denk ook dat je een nieuwe leraar pas vindt als je er werkelijk oprecht naar verlangt. Bij McCray ervoer ik na jaren eindelijk weer die pure lol in het zingen. Ik ben naar Amsterdam verhuisd en ben mijn lessen bij hem nooit meer gestaakt.”

Everink praat met liefde over wat hem drijft, waar hij vandaan kwam. Zijn jeugd in bosrijk Twente, altijd omringd door natuur. „Het klinkt triviaal, maar voor mij is die achtergrond wezenlijk onderdeel van wie ik ben. Dat ik destijds zo diep door Parsifal werd geraakt, hangt in sterke mate samen met die liefde voor de natuur.”

Toen hij zestien was, is hij een keer naakt in het bos gaan liggen. „Ik heb dat nooit eerder verteld, juist omdat het zo’n wezenlijke, kwetsbare en persoonlijke ervaring was. Je weet natuurlijk best dat de impuls waaraan je op dat moment gehoor geeft, niet normaal is. Maar wat is normaal? Ik voelde me één met mezelf en tegelijkertijd verbonden met alles om me heen. Nu zou ik zeggen: het was mijn eigen graalervaring. Maar toen was ik daar niet mee bezig. Ik was als Parsifal die in de graalburcht komt op een moment dat hij nog niet weet wat hem overkomt. Later realiseert hij zich de betekenis veel beter, en verlangt hij terug naar het herbeleven van die ervaring – maar dan bewust.”

Over de Graal heeft Everink later, na zijn eervol afscheid van het Korps Mariniers, wel veel gelezen. Wolfram von Eschenbachs Parzival lag lange tijd op zijn nachtkastje. „Ik identificeerde me met Parzival op een kruispunt van wegen. Rechts: de vertrouwde weg. Links: de lastige met doornen en kuilen. Maar door die te volgen, zou je wel jezelf worden. Daar heb ik vaak aan gedacht als het als zanger moeilijk was. Dat is de ware Graal, snapte ik: worden wie je in wezen bent en daarover blijven nadenken, als op een levenslange reis.”

Onder collega-zangers zoekt noch vindt hij voor zulke bespiegelingen veel aanspraak. „Het operavak is hard, het tonen van een zodanig persoonlijke kant kan zich tegen je keren.” Bij de Vrijmetselarij vond hij die medestanders wel. De Loge bracht hem ook weer vriendschappen en vertrouwen zoals hij bij het Korps Mariniers had gekend en gewaardeerd. „Dat je met elkaar kunt sparren, jezelf kunt zijn in vertrouwen. Dat had ik gemist. Heel in de verte lijkt de Vrijmetselarij wel op de gemeenschap van graalridders die zich ten doel stelde de Graal te beschermen. Alleen: de ware Graal is levenskunst. Wie ben ik, wat kan ik, waar ga ik naartoe? Dat leer je niet thuis, niet op straat, niet op school. Maar het is wel de essentie.”

Het verhaal van Bastiaan Everink verschijnt later dit jaar in boekvorm (‘Bravo’) bij uitgeverij Contact. Voor concerten en optredens zie bastiaaneverink.com