Parsifal staat gelijk aan 5 kilo biefstuk

Iván Fischer dirigeert deze maand Parsifal bij De Nederlandse Opera. „En hierna weer vijf jaar geen opera, alstublieft.”

Het plenst in de Amsterdamse Concertgebouwbuurt. Iván Fischer (61) is net hersteld van een stevige griep: niet meer dan logisch als je een blik werpt in het repetitierooster voor Wagners vier uur durende Bühnenweihfestspiel Parsifal. „Drie zeer lijvige bundels zijn het”, zegt de dirigent. „Ik moet elke keer weer even zoeken waar ik ben.”

In een hoek van de woonkamer staat, verstopt achter kinderspeelgoed, een van Gustav Leonhardt gekregen virginaal. Het herinnert aan Fischers beginperiode als klavecinist onder Nikolaus Harnoncourt. Maar dat is erg lang geleden. De relatie van Fischer met het Koninklijk Concertgebouworkest gaat terug tot 1987. Hij dirigeerde het in uiteenlopend repertoire en maakt dinsdag met het orkest zijn Nederlands debuut als operadirigent. Een evenement, want Fischer is doorgaans te kritisch om de samenwerking met regisseurs in muziektheater te verdragen. „Opera is ingewikkeld”, vindt hij. „Hiervoor heb ik vijf jaar geen opera gedaan, hierna zeg ik: ook maar weer even liever vijf jaar niet.”

Wat hem stoort is dat de rijke uitvoeringstraditie van opera als mengvorm van muziek en theater de afgelopen vijftig jaar heeft plaatsgemaakt voor het zogenaamde regietheater. „In de meeste gevallen draait nu alles om het ‘concept’ van de regisseur. Zangers kennen hun partij en worden ingevlogen. Maar als je kijkt hoe opera tot 1960 werd gemaakt... Aan de belangrijke huizen, zeg de Wiener Staatsoper, werkten zangers met repetitoren die vaak nog gewerkt hadden met de componisten zelf. Het liefst zou ik een operafestival oprichten waar die werkwijze wordt hersteld. Maar ik vrees dat dat een droom blijft. De muziekwereld werkt niet meer zo.”

Toch zei u ‘ja’ tegen Pierre Audi, Parsifal en De Nederlandse Opera.

„Ik accepteer sporadisch een opera. Als ik zeker weet dat de regisseur het werk niet kapot zal maken. Met Pierre Audi bestaat er een goede kans dat je het libretto straks ook begrijpt. Het verhaal is ingewikkeld genoeg zonder een dominant regieconcept. Natuurlijk hebben we veel over enscenering gesproken, over details vooral. Niet zozeer over mijn visie versus de zijne. Ik heb geen visie. Er is alleen het stuk.”

Fischer is opgegroeid met „de mythe van Parsifal als heilige koe”, lacht hij. „Aan tafel – ik zal een jaar of tien zijn geweest – werd vaak zeer fel over Parsifal gediscussieerd. Mijn familie is joods, maar dat deed niets af aan het feit dat het allemaal enorme Wagner-freaks zijn. Wat is de betekenis van de Graal? Hoeveel Wolfram von Eschenbach en hoeveel Chrétien de Troyes vind je in het libretto terug? Wat was precies de invloed van Flegetanis – een kabbalist of astronoom uit Toledo die als eerste de graallegende noteerde? Zo ging dat avonden door.”

Maar uiteindelijk draait het verhaal, mede, om verlossing. In hoeverre beïnvloedde uw achtergrond uw blik op die kant van de thematiek?

„Parsifal gaat over een gemeenschap in nood. Een koning – Amfortas – heeft iets verkeerds gedaan en daardoor is zijn rijk in problemen geraakt. Maar is dat nou zo heel anders dan in Mozarts Idomeneo? Er zijn vele invalshoeken. Parsifal is als een plein waarop allerlei straten uitkomen.”

De gemeenschap wordt gered door Parsifal, de edele dwaas, „durch Mitleid wissend”. Dat lijkt me toch een vrij christelijk concept.

„Nee, het is een wagneriaans concept. De meeste van zijn opera’s draaien om een mens in nood die verlost moet worden. Elsa door Lohengrin, de Fliegende Holländer door Senta. In Der Ring des Nibelungen is die thematiek omkleed met Germaanse mythologie, Parsifal heeft christelijke trekken en Wagner maakte ook plannen voor Die Sieger, die boeddhistisch geïnspireerd zou zijn.

„De eerste dirigent van Parsifal was Hermann Levi, een jood. Wagner zei hem: je moet je bekeren tot christen om dit werk goed te kunnen dirigeren. Levi weigerde. Hij vond: het heeft er niks mee te maken. Fantastisch! Waar haalde hij die kracht vandaan, terwijl Mahler zich onder carrièredruk wel tot het katholicisme liet bekeren? En ik, tsja, ik had – hoop ik – hetzelfde gezegd als Levi. Omdat ook ik geloof dat Parsifal in essentie gaat over menselijke pijn en nood. Die is universeel en maakt identificatie op meer lagen mogelijk.”

Zoals?

„Kundry moet Parsifal verleiden. Maar ze weet dat het slecht is voor alle betrokkenen. Velen leven zo: doen dingen waarvan ze weten dat het niet deugt, of zijn anderszins een slaaf van hun eigen situatie. En ik veroordeel dat niet, ik herken het – zoals iedereen. Ik zou graag meer vrije tijd hebben om te componeren, me radicaal verstoppen voor mijn eigen agenda. Wat me weerhoudt is verantwoordelijkheidsbesef, niet willen teleurstellen. Soms lukt het me overigens toch, een beetje tenminste. Tussen de bedrijven door werk ik aan een eigen een operaatje. Twee zangers, twee dansers, een kleine bezetting, tien minuten speelduur. Het tegendeel van Wagner.”

U zegt: als dirigent telt voor mij het stuk. In dit geval vier uur muziek. Eist dat niet ook een visie op dramaturgie, opbouw?

„Elk detail telt en de architectuur van het grote geheel telt evenzeer. De kunst is beide te zoeken en te vinden. Maar ik ben er niet de dirigent naar om te kunnen verwoorden hoe ik dat aanpak. Ik doe wat er staat.”

Welke opname beveelt u aan?

„Geen! Ik hoor zulke vreselijke dingen, volgezogen met het ego van de dirigent. Waarom zijn dirigenten altijd zo egocentrisch? Je moet de muziek op je laten inwerken en compromisloos dienen, dan komt de rest vanzelf. Maar...”

...er zijn collega’s die daar anders over denken?

„Ja, helaas. Hans Knappertsbusch, diens Parsifal hoorde ik laatst – een oude opname. Verschrikkelijk, ik heb er geen ander woord voor. Zo traag, zo onpraktisch. Niet goed, nee he-le-maal niet goed.”

Te zwaar?

„Te veel ego. Ik ben niet zozeer sneller of lichter maar ik volg Wagner in elk geval. Dat betekent dat diens muziek soms licht, soms zeer zwaar, soms vloeiend, soms meditatief en soms bijna stilstaand tot klinken komt. Ik ga niet één kant uitlichten die alles domineert.”

Is Parsifal uw lievelingsopera?

„Nee, ik kan er niet één kiezen. Maar ik houd wel heel erg van Wagner – Tristan, Lohengrin en Parsifal met name – en Mozart. Het Italiaanse repertoire vind ik ook leuk. Maar daar ben ik waarschijnlijk te veel een zoeker voor.”

U werkt nu weken dagelijks met het Concertgebouworkest.

„De taak is (lacht)... erg groot. Wanneer een normaal concert gelijk staat aan een goede maaltijd, dan is Parsifal het equivalent van vijf kilo biefstuk. Een ongelooflijk Groot Stuk Vlees. En met de taak is ook de last groot, dat is gewoon zo. Maar niemand kan zich tegen de kracht van het stuk verzetten. We leven allemaal in een trance. Dat klinkt belachelijk, maar het is waar. Ik ervaar die vier uur muziek nooit als ‘lang’, of als ‘vier uur’. De spiritualiteit zuigt je erin.”

In hoeverre zou u met uw eigen orkest een andere werkwijze hebben gekozen?

„Niet – denk ik. Ik geloof in vaste, diepgaande relaties met een klein aantal orkesten. Dat is ook de reden dat ik überhaupt nog maar vier orkesten dirigeer en geen agent meer heb; ik zeg toch tegen iedereen nee. Amsterdam is prettig. Vertrouwd. Ik ken veel musici persoonlijk. Natuurlijk is de samenwerking intensief. Ik kan me ook voorstellen dat het voor het orkest misschien onwennig is dat ik heel anders ben dan chef-dirigent Mariss Jansons. Maar problemen heb ik nooit. En of en hoe Jansons dan precies anders werkt – dat zal ik nooit weten. Dit is een eenzaam vak, ik spreek nooit collega’s. Zeer tot mijn spijt overigens. Gelukkig heb ik een dirigerende broer met wie ik af en toe kan bellen.”

U wordt volgend seizoen ook chef-dirigent van de Berliner Symfoniker. Opmerkelijk vonden velen, „beneden uw stand”.

„Pff, dat interesseert me totaal niet. Ik dirigeer omdat ik gefascineerd ben door wat muziek vermag: communiceren. Fantastische belevenissen realiseren. De Berlijnse muur is ruim twintig jaar geleden gevallen, maar in het voormalige Oost-Berlijn gaat iedereen nog steeds naar de Symfoniker, en niet naar de Philharmoniker. Wij denken: de DDR, vreselijk, communisme, grijze narigheid. Maar wat men wél had was mooie muziek. En die blijft men dus trouw. Een mooi concert is er geen uitje, maar het brandpunt van de dag – dát is wat je voelt als je daar dirigeert. Echt contact – daar gaat het om.”

Parsifal t/m 8 juli Muziektheater A’dam: dno.nl