Literaire toekomstvorser

Sciencefiction was voor Ray Bradbury een genre over ideeën en veranderingen in de maatschappij. „Het is de kunst van het mogelijke.”

Foto AFP

Ray Bradbury, die eergisteren op 91-jarige leeftijd overleed na een lang ziekbed, was een sciencefictionschrijver met literaire allure. In de jaren vijftig, waarin hij bekendheid verwierf met de verhalencyclus The Martian Chronicles (1950) en de door François Truffaut verfilmde roman Fahrenheit 451 (1953), was dat een ongemakkelijk lot.

Sciencefiction, ‘verhalen over groene mannetjes’, werd door de literaire elite routineus geridiculiseerd. Het maakte dat collega Kurt Vonnegut wanhopig zijn best deed aan het label te ontkomen. Bradbury, een krachtiger persoonlijkheid, omarmde het getto juist. In een brief die hij me ooit stuurde in antwoord op een idolaat tienerschrijven, schreef hij over zijn literaire collega’s: „De ‘broederschap’ heeft me gemaakt tot wat ik ben, en daar zal ik altijd dankbaar voor zijn.”

Toen Bradbury zelf nog tiener was, sloot hij zich aan bij de Los Angeles Science Fiction League, waar hij schrijvers als Robert Heinlein, Frederic Brown, Leigh Brackett en Henry Kuttner ontmoette. Dat was in 1938, de nadagen van de Grote Depressie, die zo’n rijke voedingsbodem voor popcultuur was gebleken. Bradbury was gefascineerd door sciencefiction, comics, gothic horror en het circus – dat in zijn werk een belangrijke rol zou spelen.

Slechte ogen hielden hem uit de oorlog, die hij benutte om verhalen te schrijven voor tijdschriften als Super Science Stories en Weird Tales. Tussen zijn vaak steriele, onhandige of sensatiebeluste collegae viel hij op door zijn lyriek en volwassen verbeeldingskracht.

Toen romanschrijver Christopher Isherwood The Martian Chronicles in handen kreeg – over de kolonisatie van Mars door mensen die de teloorgaande Aarde waren ontvlucht – schreef hij een ronkende aanbeveling. Bradbury had beduidend meer in zijn mars dan Isherwood van een sciencefictionschrijver verwachtte.

Waarom dan sciencefiction? In 2010, in een interview met The Paris Review, verdedigde Bradbury het genre met verve. „Sciencefiction is elk idee dat in je hoofd opkomt en nog niet bestaat, maar spoedig realiteit zal worden en voor iedereen álles zal veranderen. [...] Zodra je een idee hebt dat de bestaande wereld maar een klein beetje beïnvloedt, schrijf je sciencefiction. Het is de kunst van het mogelijke, nooit het onmogelijke.”

Het verbaasde Bradbury dat de mainstream nauwelijks aandacht besteedde aan veranderingen die diep ingrepen in de wereld. „De grote ideeën van onze tijd – van ontwikkelingen in gezondheidszorg of het belang dat ruimtevaart voor de vooruitgang van onze soort heeft gehad – zijn genegeerd. De critici hebben gewoonlijk ongelijk, of ze lopen vijftien à twintig jaar achter. Zonde; ze missen nogal wat. Waarom de literatuur van ideeën zo behandeld is, kan ik niet verklaren, anders dan in termen van intellectueel snobisme.”

Ondanks een zeer uitgebreid oeuvre zal Bradbury voor eeuwig verbonden blijven met zijn dystopische roman Fahrenheit 451, een werk dat naadloos in het stramien past dat hij schetste. Het boek ontleent zijn titel aan het brandpunt van papier, en gaat over een maatschappij waarin boeken verboden zijn en door de brandweer verbrand moeten worden.

Tot veel verzet leidt dat niet: iedereen is in de greep van visuele media, waaronder tv’s die hele wanden vullen. Wanneer brandweerman Guy Montag verleid wordt door het geschreven woord, mondt zijn ketterij uit in een klopjacht: voor het oog van het televisiekijkend publiek wordt hij opgejaagd door een mechanische hond en een camerahelikopter.

Het was alsof Bradbury in de jaren vijftig al reality shows, plasmaschermen en het tv-spektakel rond O.J. Simpson had voorzien. Tot zijn eigen gruwel, overigens – het boek ging niet over censuur, zoals vaak gedacht, maar over de intellectuele verschraling die zou worden veroorzaakt door de opkomst van nieuwe media.

Daarin was Bradbury, de toekomstvorser, dan weer een opmerkelijk ouderwetse man.

    • Auke Hulst