Kuitstring

Gisteravond was ik net op tijd bij de tv om NOS-voetbalverslaggever Bert Maalderink vanuit Krakau klaaglijk te horen roepen dat „nu alles in de war is gegooid”. Door wát, vroeg ik me angstig af.

Waren sommige internationals zo onder de indruk geraakt van hun bezoek aan Auschwitz, dat ze spoorslags naar huis wilden om alsnog al die plekken te bezoeken waar ze nooit aan toegekomen waren, ook al hadden ze er bijna naast gewoond: Hollandsche Schouwburg, Anne Frankhuis, De Dokwerker, Auschwitzmonument?

Dat zou een te grote bres slaan in de selectie, vreesde ik. Maar wat was er dán aan de hand?

De hamstring van Joris Mathijsen, hoorde ik even later. „Het herstel duurt langer dan verwacht”, somberde de bondscoach. Van Marwijk overwoog een vervanger uit Nederland te laten overkomen die al op vakantie is gegaan en daarom „niet heeft doorgetraind”.

Ik was ontzet. Waar was opeens dat veelgeprezen professionalisme van de Oranje-staf? Waarom had men mij als ervaringsdeskundige niet even geraadpleegd, nadat Mathijsen in de oefenwedstrijd tegen Bulgarije naar zijn hamstring had gegrepen?

Ik had ze graag verteld hoe hardnekkig zulke blessures kunnen zijn. Iedereen, ook die mannen van de KNVB, heeft in deze rubriek kunnen lezen hoe ik Tweede Pinksterdag geblesseerd raakte in een oefenpotje tegen mijn kleinzoon. Geen hamstring, maar een kuitstring. Als er langs de rand van het veldje een brancard voorhanden was geweest, had ik me graag als één groot lijdend voorwerp naar huis laten dragen.

De daaropvolgende dagen vorderde het herstel gestaag, net als ogenschijnlijk bij Mathijsen. Maar, KNVB, opgepast! Ook deze schijn bedriegt. Juist als je overmoedig in een ouderwets sprintje enkele traptreden wilt overslaan, verandert de string in een woedend zweepje dat er ferm op los knalt. Het gebeurde me ergens in het centrum van de stad en ik weet nog goed wat door me heenflitste: Mathijsen! Lopen ging nauwelijks meer, ik heb de tram maar genomen.

Was deze ervaring geen goud waard geweest voor Van Marwijk? Mij dunkt. Nu wachtte hij met ongegrond optimisme af tot het op de training weer fout ging.

Als we geen Europees kampioen worden, hebben we ons alibi al rond. Het heet Joris Mathijsen, een vriendelijke, maar beperkte, zich nogal onhandig bewegende verdediger, waarvan er geen dertien, maar minstens dertig in een dozijn gaan.

Alle nationale tv-zenders waren al bijna in de rouw: een hamstring was de zijden draad geworden waaraan ons gemeenschappelijke lot hing.

Hoe moet het nu verder? Op de eerste plaats zal ik mezelf, zoals dat heet, beraden op mijn toekomst. Ik had net gesolliciteerd naar een baan als nieuwslezer van het NOS Journaal, maar dat kan ik voorlopig wel vergeten. Je moet daar je werk voortaan druk op en neer lopend doen, alsof je in je keuken van de ene hoek naar de andere dribbelt. Dat lukt niet met zo’n kuitstring. Elke aarzeling of misstap van de nieuwslezer zie je. Alles valt op. Kijkend naar Sacha de Boer betrapte ik me zelfs al op de ontwrichtende gedachte: ze heeft toch geen buikje?

Ik moet dus dóór met deze rubriek, ook al is het – meer dan ooit – met vallen en opstaan. En het Nederlands elftal? Ik vrees het ergste. Eerlijk gezegd zie ik Robin van Persie en Joris Mathijsen (zit toch thuis) nog eerder de veertien delen van Loe de Jongs standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog lezen dan dat we voetbalkampioen van Europa worden.